Zij verlieten de Randstad en vonden het geluk in Drenthe

Gek worden ze van de vliegtuigen die steeds vaker over hun huis in Duivendrecht komen. Daarom gaan Robert en Marijke op zoek naar een huis op het Gelderse platteland. Na vijf jaar zoeken lijkt het erop dat het huis dat ze zoeken niet bestaat. Tot ze op een dag een advertentie in de krant zien van een boerderij in Drenthe.

Wapserveen is een idyllisch lintdorp in het zuidwesten van Drenthe. Volgens de laatste volkstelling wonen er 760 inwoners, waarvan een stuk of twintig boeren. Honderd jaar geleden waren dat er nog tweehonderd. De meeste boerderijen zijn verbouwd tot woonhuis. Marijke en Robert Sterk kochten hier een jaar geleden een monumentale herenboerderij. Aan de buitenkant is het een traditionele Saksische boerderij met rieten kap. Binnen lijkt het op een New Yorkse loft, een open ruimte van vijftien meter breed en zevenendertig meter lang, met een glazen pui in het midden van de deel die bijna tien meter hoog is. Veel glas en staal, betonnen vloeren en dikke houten gebinten. Onder de kap zijn de originele houten balken zichtbaar. Het voorhuis, waar ooit de boer en zijn gezin woonde, zijn nu de zit- en slaapkamer.

Robert is grafisch ontwerper, Marijke is culinair journalist en schrijft kookboeken en recensies voor tijdschriften. In hun nieuwe onderkomen hebben ze allebei kantoor aan huis. Dankzij internet kunnen zij wonen en werken combineren buiten de Randstad.

Robert: ‘Toen we trouwden, zei ik: “Binnen tien jaar wonen we vrijstaand”. Dat is niet gelukt. Wel vonden we een leuk huis in Duivendrecht, vlak bij Amsterdam. In die tijd was Duivendrecht nog een schattig dorpje, maar langzaam aan werd het ingebouwd tussen snelwegen, metrolijnen en breidde Schiphol uit. Die vliegtuigen waren het ergst. Als de wind uit de verkeerde richting stond kwam er elke anderhalve minuut wel een vliegtuig over. Ik werd er gek van.’

Marijke: ‘Samenwonen met iemand die moppert bij elk vliegtuig dat overkomt is niet leuk. We moesten echt verhuizen, onder de rook van Schiphol weg. Een bevriende architect, Peter Hoens, heeft toen een huis voor ons getekend met een studio, heel mooi en modern. Toen hoefden we alleen nog een stuk grond te zoeken om te bouwen. Daarvoor keken we in Gelderland en Brabant, want dat vonden we mooi. Toen we geen geschikte grond konden vinden, zijn we op zoek gegaan naar bestaande huizen. Ook dat viel niet mee.’

Robert: ‘We deden niets anders dan zoeken. Elk weekend waren we onderweg. Ik denk dat ik in vijf jaar wel tachtigduizend kilometer heb gereden. Elk weekend gingen we weer op pad met een hele lijst met huizen en een routeplanner, TomTom hadden we toen nog niet. We zochten op internet naar huizen en naar grond, maar er waren altijd beperkingen. Dan vonden we leuke grond, maar dan lag het weer naast een voetbalclub. De wetgeving stond soms ook in de weg. Groter bouwen dan 660 m3 inhoud is in Nederland bijna nergens toegestaan. Soms kwamen we aanrijden en zagen we in een oogopslag dat we dat hele stuk voor niets hadden gereden.’

Marijke: ‘Het huis dat wij zochten bestond niet.’

Robert: ‘We zijn toen maar opgehouden met zoeken. Ik was bijna vijftig en ik zei dat als het voor mijn vijftigste niet lukt, dan stoppen we ermee. Toen zijn we ons oude huis maar gaan verbouwen. Een nieuwe Boffi-keuken, dubbele beglazing, muren verplaatst, nieuwe vloeren laten storten. Na vijf maanden was de verbouwing klaar. Geen muur stond meer op dezelfde plaats. We waren helemaal blij, maar de vliegtuigen waren er nog steeds. Stiekem zocht ik daarom nog door. Op een dag – Marijke was in het buitenland – zag ik deze boerderij in een advertentie in NRC Handelsblad. Drenthe, daar hadden we gewoon nooit aan gedacht.

We zijn gelijk gaan kijken. In de auto terug hebben we een half uur niets gezegd. We wisten allebei dat we ons huis hadden gevonden. We zijn daarna met onze architect gaan kijken. In de jaren zeventig was de boerderij het vakantiehuis van Amsterdammers. Die hadden het laten verbouwen door een Franse architect. Overal zaten schrootjes tegenaan. Als je zo’n grote boerderij helemaal gaat strippen, is dat natuurlijk een enorm project.

Toen we het net hadden gekocht, kwamen we bij ons oude huis. “Ons nieuwe huis is langer dan vier van onze huizen op een rij”, zei ik tegen Marijke. Er past, bij wijze van spreken, een hele Vinexwijk op ons terrein. Wij zijn er nu aan gewend, maar als hier mensen voor het eerst komen, zijn ze altijd onder de indruk van de ruimte.’

Marijke: ‘Bij de verbouwing zijn heel veel vrienden komen helpen. We hebben per mail gevraagd wie er wilde komen helpen met slopen. Iedereen bleef slapen. We hebben een heleboel luchtbedden gekocht en grote tafels buiten gezet om aan te eten. Onze kinderen kwamen met hun vrienden. Allemaal jongelui die fantastisch hebben geholpen met slopen, maar ook aan de gebinten met touwen schommelden. Met de drilboor hebben we de vloer eruit gehaald en buiten hadden we een douche gemaakt. In het begin hebben we echt gekampeerd. Ik kookte buiten of in de deel op de Weber-barbecue, vier maanden lang.

Het enige lastige was om kantoor aan huis te hebben toen de werklui hier rondliepen. Soms reden we op en neer naar Amsterdam om in ons oude kantoor te werken. Er waren dagen dat we wel twee of drie keer op en neer reden. Op een gegeven moment belde ik Robert waar hij bleef, belde ik hem wakker omdat hij lag te slapen in zijn auto naast een benzinestation.’

Robert: ‘Zo’n huis vraagt veel van je, dat moet je van tevoren overdenken. Je moet niet denken ik ga zitten en het gras wordt vanzelf gemaaid. Of de vloer dweilen, met zo’n oppervlak ben je daar wel een paar uur mee bezig. Als je aan zo’n project begint en je huwelijk is niet goed, dan staat er al snel een bord met te koop in de tuin. Maar wij hadden al na een paar dagen het gevoel: hier zijn we thuis. En dat is niet overdreven. Toen we hier nog op de grond lagen te slapen, kwamen onze (boeren)buren Cornelis en Eefje met een Drentse krentenmik en een dik pak boter aan en anderen met bloemen. Weer iemand anders was in het dorp met de pet langs gegaan en van het hele dorp hebben we een paar boompjes cadeau gekregen als welkomstcadeau. Ook hebben we nadat de verbouwing klaar was het hele Westeinde, waar wij aan wonen, uitgenodigd. Dit was een groot succes. Vijftig man hadden we hier in huis.’

Marijke: ‘Wapserveen is een hele hechte gemeenschap. Het dorp is vijftien kilometer lang. De oostkant is agrarisch, het midden heeft veel nieuwbouw en Westeinde, waar wij wonen, is ook agrarisch en het meest hecht. Toen we hier nog niet woonden, zijn we door de oude bewoners uitgenodigd om mee te gaan naar de buurtbarbecue om vast kennis te maken. Iemand riep: “Wie doet de volgende barbecue?” Dat wilden wij wel doen, maar dat hield ook in dat wij de feestcommissie werden. Toen we hier kwamen wonen, werden er gelijk dozen met vlaggen afgeleverd om op te hangen in het dorp.

Alle inwoners van Wapserveen doen mee met het volksfeest, autochtoon en import. Die verdeling is hier trouwens ongeveer zestig-veertig. Het thema van dit jaar was “import en toch samen één.” Iedereen zet iets in de tuin. Wij hebben het thema Amsterdam gekozen – Duivendrecht visualiseren is een beetje lastig. Er komt een optocht. De autochtonen zetten als symbool een klokkenstoel in de tuin. Er is in Drenthe maar een klokkenstoel en die staat in Wapserveen. Klokkenstoelen werden vroeger gebouwd als er in een dorp geen kerk was en er toch klokken geluid moesten worden. Nu staat naast de kerk in Wapserveen de enige overgebleven klokkenstoel van Drenthe.

We woonden hier nog maar een dag en er kwam al iemand langs om geld op te halen voor de Hartstichting, de ijsclub, de scouting, allemaal opgehaald door een persoon. Dat vergeten mensen in de stad, maar hier draag je heel veel bij aan de gemeenschap. In de stad is alles gesubsidieerd, hier niet, dus geven mensen heel gul. De ponyclub komt langs de deur met zelfgemaakte cake en in het dorp ben je lid van de ijsvereniging, ook als het winters achter elkaar niet vriest.

Elke vrijdagochtend ga ik met een stel vrouwen uit het dorp wandelen. De jongste is dertig, de oudste tegen de zestig. We lopen veel en zijn een heel gevarieerd gezelschap. Iemand van die groep zei laatst: “Ik hoorde dat je een eetfeestje had gegeven, waarom waren wij niet uitgenodigd?” Ik vertelde dat ik voor vijftien mensen had gekookt en dat ik aan een kant van het dorp ben begonnen met mensen uitnodigen. Ik schrijf kookboeken en ik vind het zonde om alles wat ik uitprobeer weg te gooien. Dan vraag ik gewoon alle buren hier, met kinderen. Maar je ziet, je moet er rekening mee houden, dat je niemand vergeet, want iedereen heeft contact met elkaar. Als je in de stad mensen niet uitnodigt, hoef je niet bang te zijn dat ze in de supermarkt iemand anders tegenkomen die zegt: “Waarom waren jullie er niet?” Wie praat er nou nog met elkaar in het Westen?

Ik heb een vriendin die zei: “Ik ken iemand bij jou in de buurt die niet zo veel mensen kent en nu een club heeft opgericht voor intelligente westerlingen.”

“Nou,” zei ik, “daar wil ik dus niet bij horen.” Als je denkt dat het nodig is om zo’n club op te richten, dan is het geen wonder dat je geen contact weet te maken.

Robert: ‘Er is hier een saamhorigheid die je in de stad niet kent. Mensen komen hier bij elkaar op visite, de boer stopt zijn tractor om een praatje te maken en iedereen kent elkaar. Ik ken mensen in de stad die al tien jaar in een flat wonen en niet eens weten wie hun buren zijn. Als je daar iets nodig hebt, dan leen je het en maak je het goed met een fles wijn. Als je dat hier doet, dan zeggen ze: “Niet meer doen hoor, want de volgende keer als ik iets nodig heb kom ik bij jou.”

Inburgeren is niet moeilijk

Inburgeren is niet moeilijk. Als je respecteert hoe hard een boer werkt, wordt je als nieuwkomer makkelijker geaccepteerd. De boeren werken hier zo hard, daar ben ik echt van onder de indruk. En ze zijn altijd vrolijk.

Als je uit de stad komt, heb je het meestal goed. Als je ziet wat een boer voor zijn melk krijgt, dan is dat hard. De enige die aan de melk verdient is de supermarkt. En als je ziet wat een administratie die boeren hebben. Daar staan we als stadsmensen niet bij stil. Kinderen weten tegenwoordig niet eens meer waar de melk vandaan komt. De boeren hier zijn vaak van ’s ochtends zes tot ’s avonds laat aan het werk. De boer moet zijn mest uitrijden, maïs binnenhalen, zijn land bewerken en ga zo maar door. In april begint hij al om zes uur het gier uit de put te halen. Als de boer aan het mesten is en de wind staat verkeerd, dan kun je niet in de tuin een boterhammetje eten. Jammer dan.

Je moet je dat realiseren als je op het land gaat wonen, maar wat ruik je liever, kerosine of mest?’

Marijke: ‘Ik vind helemaal niets tegenvallen hier. Het enige wat we missen zijn de kinderen, maar die komen vaak langs en onze zoon belt bijna elke dag. Verder mis ik niets, behalve dan misschien een een grotere variatie aan goede restaurants. Maar ik heb een grote keuken, een moestuin en ik kan koken. Als ik hier kom aanrijden en ik zie al van ver die honderd jaar oude populier en ik zie dat huis, dan denk ik, jemig, dat is gewoon van ons.’

Robert: ‘Natuurlijk zijn er wel dingen waar je als stadsmens aan moet wennen. Zo hebben we een tuin van achtduizend vierkante meter. Als je het gras een keer per week wil maaien, ben je drieëneenhalf uur bezig. Dan moet je wel een motormaaiertje kopen. Tuingereedschap dat je koopt moet je met een benzinemotor kopen, een snoer haalt deze afstanden niet. Zelfs de heggenschaar moet op benzine. Dat is gelijk vier keer zo duur.

De tuin

De tuin heeft nu prioriteit. Als het mooi weer is stoppen we om zes uur met werken, gaan de tuin in en eten om tien uur ’s avonds. Het is heerlijk om na het werken buiten te zijn. Van de rust te genieten en rond acht uur naar de vleermuizen te kijken. Ook aan de kou wen je snel. Drenthe, daar zijn we achter gekomen, is de koudste provincie van Nederland. De bomen zijn hier langer kaal en ’s winters kan hier een ijzige noordwestenwind staan. De sneeuw heeft hier vorige winter, opgestuwd door de wind, tot halverwege het raam gestaan.

’s Avonds loop je hier buiten en zie je de sterren. Het is hier ’s nachts nog echt donker. Dat donkere en die rust is zo mooi. Als er geen maan is, moet ik met de zaklantaarn de hond uitlaten.’

Leestip

Dit interview verscheen eerder in: Domweg gelukkig op het platteland.

Eén reactie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s