Zij bouwden een houten huis op het Groningse platteland

Doezum is een Gronings dorp op de grens met Friesland. Een viervoudige moord gaf het dorp in een keer landelijke bekendheid. Dat was in 1929. Doezumers vertellen sindsdien het verhaal over IJe Wijkstra, de timmerman die op zijn drieëndertigste met zijn moeder in het dorp woonde en verliefd werd op Aaltje. Zij was de vrouw van zijn beste vriend, die op dat moment in de gevangenis zat. Aaltje trok bij IJe in. Toen vier veldwachters haar daar op een koude winterochtend kwamen ophalen omdat ze haar zes kinderen alleen had achtergelaten, schoot IJe de agenten ter plekke dood. Hij stak zijn huis in brand en vluchtte, zonder Aaltje, naar de stad Groningen. Daar werd hij gearresteerd en later veroordeeld tot levenslang.

Wie nu het dorp bezoekt, vindt weinig terug uit de tijd van IJe en Aaltje. Oude huizen zijn vervangen door nieuwbouw. Het is een modern dorp met woonerven en rotondes. Maar zodra je het dorp verlaat, verandert het landschap en de bebouwing. Via kronkelige landweggetjes die tussen de weilanden lopen, kom je langs hoge bomen en oude boerderijen. Dit is het buitengebied waar de dorpelingen vroeger op neer keken. Het gebied waar ook IJe en Aaltje woonden.

Halverwege de Doezumertocht staat een huis dat er zeker nog niet stond ten tijde van het drama van Doezum. Een imposant donkerbruin houten huis. Het huis is er gebouwd door Herman en Jolanda. Jolanda is verpleegkundige, Herman heeft een eigen bedrijf en verkoopt houten huizen en baden, maar bovenal is hij hobbyboer. En een hele enthousiaste. Het huis hebben ze uit Estland gehaald en hier op een kavel met drie hectare neergezet. Het was het eerste Estlandse huis in Nederland, wat reden was voor de ambassadeur van Estland om bij de feestelijke opening aanwezig te zijn. 

Een doordeweekse ochtend in Doezum. Herman komt aanrijden op zijn trekker. Hij heeft net een partij gras weggebracht naar een boer in de buurt. “Het lijkt gek,” zegt hij, “maar er is te veel gras. Steeds meer boeren houden ermee op en op een gegeven moment kun je je gras aan de straatstenen niet meer kwijt. En ik heb niet genoeg dieren om dat allemaal te laten opeten. Een geitenboer in een naburig dorp neemt gelukkig nog wel mijn gras af, in ruil voor balen hooi. Ik heb een trekkertje, dat is net zo oud als ik. Die loopt niet zo snel meer. Zestien kilometer per uur, dus als je even op en neer moet valt het altijd tegen.

Boeren doen heel veel voor de natuur

Dat er überhaupt nog boeren zijn hier is een meevaller. Ik geloof dat er in Nederland op dit moment acht boeren per dag stoppen met hun bedrijf. Dat is heel erg jammer. Op de plekken waar boeren ermee ophouden, moet iemand anders het overnemen. Mensen zoals wij zijn de nieuwe bewoners van het platteland. Wij zijn ook de mensen – en dat is niet arrogant bedoeld – zoals de politiek het graag ziet. Burgers op het land die aan landschapsbeheer doen. Het zijn toch de boeren, burgers en buitenlui die iets aan het landschap moeten doen. Wij hebben een stuk grond van drie hectare en een deel daarvan is natuurbeheer. De meeste mensen vergeten dat, maar boeren doen heel veel voor de natuur, door gunstig te maaien en houtwallen te snoeien bijvoorbeeld. Maar boeren moeten ook hun geld verdienen. Helaas is door ons ruimtegebrek de druk op de boeren enorm. Ze hebben te maken met milieueisen en strenge wetgeving. Ze moeten meer dan vroeger op kosten en tijd letten. Daardoor krijg je dat boeren kunstmest gaan strooien waardoor grasland in akkerbouw verandert. De overheid probeert het natuurbeheer te stimuleren. Voor boeren is dat niet altijd interessant, dus worden die regelingen veel door hobbyboeren zoals wij gebruikt. Er is een nieuwe invulling van het platteland nodig, maar het wordt hobbyboeren niet makkelijk gemaakt. De overheid doet te weinig om het de hobbyboeren naar de zin te maken. De wetgeving is ingewikkeld. Veel hobbyboeren houden er dan mee op. Boeren mogen alles, burgers mogen niks. In de provincie Groningen heb je twee bestemmingsplannen, agrarisch of wonen. In Friesland is er ook nog een tussenvorm bedacht, daar zijn de regels wat soepeler.

Wat wij hier doen is een voorbeeld van natuurbeheer. We hebben een huis dat in de omgeving past, helemaal van riet, hout en vlas en we maken gebruik van aardwarmte. 

Wij hebben Drentse heideschapen in de wei, daardoor zie je ook eens andere dieren dan alleen die eeuwige zwart-witte koeien. Deze schapen schijnen lekker te zijn, maar ze zijn vooral mooi. Wat ik belangrijk vind is dat die dieren cultureel erfgoed zijn. Als ze uitsterven, komen ze nooit meer terug. Het is belangrijk om ze terug te fokken en in stand te houden. De schapen heten Janke, Lobke, Geeske, Bartje, Geert, Wubbe en Lammerchien, allemaal hebben ze Drentse namen gekregen. Via een van de leden van de vereniging Drentse-heideschaap kreeg ik een schaap dat Little One heette, dat vond ik niet bij een Drents schaap passen. Ik heb toen het boek van Bartje erbij gepakt en Drentse namen gezocht. Alles wat ik nu weet over schapen heb ik moeten leren. Ik informeer bij een schaapherder en bij de dierenarts in het dorp. 

Als jonge jongen heb ik vijf jaar bij een boer gewerkt. Dat was een echte ouderwetse boer, in de buurt van Kampen, waar ik toen woonde. Soms verdiende ik een paar gulden en als het goed ging, kreeg ik een tientje. Hij had alle koeien nog op stal, hooide met de hand, voor mij was dat de wereld. 

Op het platteland wonen was altijd mijn droom

Op het platteland wonen was altijd mijn droom. Mijn moeder kwam uit Wierum in Friesland. In de vakanties ging ik vaak naar mijn Pake en Beppe. Het Noorden heeft me altijd getrokken, maar ik trouwde met een vrouw uit de Randstad. Jolanda woonde in Baarn en daar wilde ze graag blijven. Dan kun je twee dingen doen. Of je kunt je erbij neerleggen, dat is misschien het beste, of je kunt je zin doordrijven, maar dat is ook niet goed. 

Onze kinderen zijn in Baarn geboren, maar ik wilde niet mijn hele leven in het Westen wonen. Emigreren wilde ik ook wel, maar dan moet je een vrouw hebben die dat ook wil.

Een aantal jaar geleden maakte ons gezin een moeilijke en verdrietige tijd door. Dan gaan er dingen veranderen en bedenk je wat echt belangrijk is in het leven, wat je echt wilt. Voor mij was dat nog altijd buiten wonen en Jolanda wilde haar geboortegrond wel verlaten. 

Mijn broer woonde hier in de buurt en toen zijn we in een straal van dertig kilometer rond zijn dorp gaan zoeken. Eigenlijk was dat een stomme reden, maar het leek ons wel leuk om vlak bij hem te wonen. 

Een oud boerderijtje

Hier stond een oud boerderijtje, niet in de zin van oud en karakteristiek, maar echt vervallen. We hadden al snel in de gaten dat je of een mooi huis kon vinden, of een mooie plek. Als je het allebei wil, heb je heel veel geld nodig.

Eerst wilden we zelf een huis ontwerpen, maar we kwamen er al snel achter dat architect zijn ook een echt beroep is. Een houten huis uit de fabriek vonden we ook mooi. Dit houten huis was het idee van Jolanda. We waren al vaak in Estland op vakantie geweest en ik werkte al meer dan vijftien jaar in Oost-Europa en in de Baltische staten. We zijn toen in Estland bij producenten van houten huizen langs geweest, met het idee dat het zulke mooie huizen zijn, dat daar vast wel vraag naar is in Nederland. Mensen staan meer open voor houtbouw omdat het duurzaam is. 

We hebben het huis aangepast aan de Nederlandse eisen, de hoogte van de deuren en plafonds en de dakhelling moest worden aangepast, maar dat ging heel eenvoudig. 

Op de bouwkavel zat een agrarische bestemming. Dat aanpassen viel niet mee, maar hier in het dorp hebben we alle medewerking gekregen. De burgemeester was erbij toen de ambassadeur van Estland het huis opende. Die dag was heel Nederland ingesneeuwd. Er stond 900 kilometer file, maar de ambassadeur van Estland was wel wat sneeuw gewend, die kwam gewoon.

Wooncontainer

Het eerste jaar hebben we in een wooncontainer gewoond. Dat was wel pittig in het begin. Eerst dachten we nog, leuk vakantie, maar zo leuk was het niet. Het oude boerderijtje, de mestkelder en de schuur moesten weg, toen bleef er alleen een slootje en wat gras over. De fundering lag er in zes weken, het huis stond er binnen een maand alleen de afwerking duurde wat langer.

Op het land hebben we een dobbe gegraven, een poel voor salamanders en kikkers. We hebben oude sloten laten uitgraven, hekken en houtwallen geplaatst en fruitbomen geplaatst. We hebben ook hier weer voor oude rassen gekozen, hoogstamfruit. Dat is veel mooier, je er een laddertje tegenaan zetten om het fruit te kunnen plukken.

We hebben drie hectare en het is de bedoeling om meer beesten te nemen, maar daar moet je voorzichtig mee zijn. Dieren kun je heel makkelijk aanschaffen, maar je moet ze ook verzorgen en je moet er kennis over hebben. We hadden krielkipjes, maar die zijn door de roofvogels weggehaald, dat heeft veel tranen gegeven. 

Kippen

Een van de kippen was aangevallen door onze hond en mijn jongste zoon vertelde me dat hij de kip een klap op zijn kop had gegeven om hem uit zijn lijden te verlossen. Ja, beesten gaan dood, daar wen je aan als je op het land woont. Mensen in de stad realiseren zich dat niet. De kippen moeten geselecteerd worden, geringd en alle hanen gaan in de soep. Het slachten doe ik zelf. Ook dat heb ik bij boer Hendrik geleerd. Het is geen leuk werk, maar het moet. De kippen hebben hier wel een beter leven en lopen langer vrij rond. En ja, daarna gaan ze in de soep.

Door een Estlands huis te bouwen in een Gronings dorp zet je jezelf wel op de kaart. Of je wil of niet. Toen we er net woonden, hebben we het lokale krantje, de Doezumer Praot gebeld. We hebben een stukje geschreven over onszelf en het huis. Dat is erg goed ontvangen. We waren de eerste westerlingen die dat deden. 

Op de opening hadden we alle buren uitgenodigd. Ik heb geen achtergrond hier, ik spreek de taal niet, maar ik ken veel mensen. De mollenvanger, de dierenarts, de boswachter, de boeren.

Groninger kroon

Bij de opening hebben we van de boswachter en buurman in de buurt een appelboom gekregen, een Karbouw. We hebben ook een appelboom, een Groninger Kroon, voor het huis geplant. Een gewoonte die we uit de buurt hebben overgenomen. We hebben het huis ook een naam gegeven: de Bokkensprong. We wonen namelijk in de bokkenbuurt. Dat was vroeger de achterbuurt van Doezum, het buitengebied. Er was alleen een zandweg, die pas eind jaren vijftig is verhard. De mensen hier hadden heel lang geen water, riolering, gas of elektra. Bij m’n broer kwam ik een oude dorpsbewoner tegen die me vertelde dat hij op de Bokkebuurt nog niet dood gevonden wilde worden.

De buurt is genoemd naar een man die hier vroeger woonde. Hij had twee bokken waarmee hij naar de geiten in de buurt reed. Hij reed met zijn brommer en twee bokken rond om de geiten te laten dekken. De bokkensprong is een rare sprong. Dat is de sprong die we hebben gemaakt, van de Randstad naar hier en dan ook nog in een houten huis wonen.

Wat ik leuk vind hier, is dat ik van achter het huis Friesland kan zien liggen. De grens is vijfhonderd meter hiervandaan. De mannen in dit dorp spreken allemaal Gronings, de vrouwen zo’n beetje allemaal Fries. Van beide provincies vind je hier de mooie dingen. Groningen heeft de ruimte, de idyllische natuur, het weidse, ook Groningen stad is heel mooi. 

Friesland is voor mij niet alleen de taal, die spreek ik, maar ook het gevoel dat je bij elkaar hoort, de geborgenheid, het vasthouden aan bepaalde waarden.  Er zijn nog evenementen zonder sponsors, het is niet oubollig maar gewoon ouderwets. Er zit een ziel in. Als ik daar het Friese volkslied hoor spelen, dan doet het me wat. Dat is geen goedkoop chauvinisme hoor. Friezen zijn rustig en nuchter, maar ook heel emotioneel.”

Ik wilde dichter bij de natuur zijn

Jolanda: “Ik was op een punt in mijn leven dat ik dichter bij de natuur wilde zijn. De natuur heeft veel te bieden, maar je moet het willen zien en je moet er van houden.

Het klinkt misschien gek, maar we hebben in onze keuze weinig rekening gehouden met de kinderen. We hielden er rekening mee dat de oudste twee snel het huis uit zouden gaan. Ze waren niet meer piepjong toen we hier kwamen wonen. De jongste hoefde alleen nog groep acht te doen. Hij is best een slim kind, maar had wel moeite om zich aan te passen. Hij vond het raar dat de andere kinderen hun kaplaarzen uittrekken als ze de klas in gaan. Dan kwam hij in zijn oranje broek naar school terwijl iedereen hier een spijkerbroek droeg. Wennen heeft bij het ene kind meer tijd nodig dan bij het andere. Hij moet elke dag zestien kilometer naar school fietsen, maar daarover heeft hij geen dag geklaagd. En elke ochtend staat hij fluitend op om zes uur om de kippen te voeren. Nu hij op de middelbare school zit, bevalt het hem heel goed. Onze andere zoon wende snel, onze dochter is achttien en bij mijn broer in Baarn gaan wonen in de buurt van haar vriend, de oudste studeert in Groningen.

Ik zelf moest wennen om na 42 jaar mijn geboorteplaats te verlaten. Ik kende er zo veel mensen. Via de scholen van de kinderen, via het ziekenhuis waar ik werkte. En ik liet mijn zus en ouders achter, twee broers en een heleboel vriendinnen. Dat zijn vriendschappen van twintig jaar die je moet opgeven. In moeilijke tijden die we hebben gekend hebben we een enorm hechte band gekregen.

Ik was toe aan verandering

Toch was ik wel toe aan verandering. Iedereen heeft drukbezette levens en als de kinderen ouder worden, kom je in een fase waarin je kinderen je hard nodig hebben. Afspreken met vrienden wordt moeilijk omdat je allemaal drukke agenda’s hebt. Mensen vloeien af, maar je houdt wel een paar hele goeie vrienden over.

In Doezum zijn we nieuwkomers en we wonen ook nog buiten het dorp, dat is dubbelop. Ze weten je precies te plaatsen. Je hebt het zelf niet in de gaten, maar als je bij de dierenarts komt, weten ze in het dorp dat Van Vliet uit het houten huis op de Doezumertocht bij de dierenarts is geweest. Een dorp is een klein wereldje. 

Iedereen in het dorp en het buitengebied leren kennen kost tijd. Je zou bij een dorpsvereniging kunnen gaan, maar ik denk niet dat je het moet overhaasten. Er kwam wel al snel iemand van de muziekvereniging aan de deur die te horen had gekregen dat we wat instrumenten speelden. Hij stond op de stoep toen we er nog niet aan toe waren. 

Wat ik echt leuk vind aan hier wonen is de hoeveelheid evenementen die je hier hebt. Al die dorpsfeesten. Mensen in het Westen hebben er geen idee van hoe veel er hier te doen is. In het kerkje hier zijn het hele winterseizoen concerten, als muziekliefhebber kun je echt je hart ophalen. En dan de wereld van de workshops, dat is echt super. Twee weken geleden heeft Herman een cursus ambachtelijk ijs maken gevolgd bij het culinair museum in Appelscha. Naast koffie met gebak en een warme maaltijd kwam hij ook nog met een bak ijs mee naar huis. Ik volg nu een cursus vilten en kastanjezeep maken. 

Ja, ik hoop hier wel oud te worden. Als ik nu in Baarn ben, vind ik alles zo vol en druk.”

Uit: Domweg gelukkig op het platteland

Design en lifestyleDesign en lifestyle

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s