Deze journaliste werd boerin

‘Mensen geloven soms niet dat ik op een boerderij woon. “Je ziet er helemaal niet uit als een boerin,” zeggen ze. Nee, gek hè, wat dacht je dan, dat we met de trekker naar de disco komen?’

Martine –

Als verslaggeefster voor de regionale krant schrijft Martine een verhaal over de agrarische jongerenvereniging van Flevoland. Zo ontmoet ze boer Arjen. Een jaar later zijn ze getrouwd. Nu is ze journalist en boerin. Meer dan vierduizend mensen per dag lezen haar weblog ikbenboerin.nl.

Het moeten avontuurlijke boeren zijn geweest die in de jaren zeventig het oude land verruilden voor het nieuw drooggelegde Flevoland. In 1979 kwamen de eerste boeren en akkerbouwers naar dit meest zuidelijke puntje van Flevoland, het laatste stukje Zuiderzee dat was ingepolderd. Het was een plek voor pioniers. Een plek waar geëxperimenteerd kon worden met de nieuwste landbouwmachines, op grond die meer dan tien jaar nodig had gehad om in te klinken en die zij voor het eerst mochten bewerken. Er was nog geen elektriciteit en geen stromend water, geen winkels, geen scholen, maar er was land. Heel veel land. Er kwamen lange rechte wegen die het nieuwe polderland in reusachtige vierkanten verdeelden. Later kwamen daar de windmolenparken bij, witte wieken tot aan de horizon. En hoewel de boerderijen vaak ver van elkaar af lagen, ontstond er al snel een hechte gemeenschap met burenclubjes, verenigingen en kerkgenootschappen. Want daar waar je bent overgeleverd aan de elementen, moet ploeteren op het land, je eigen landbouwmachines moet repareren en koeien uit de sloot moet halen, daar moet je natuurlijk kunnen rekenen op elkaar.

Pas vier jaar na de komst van de eerste bewoners werd er een dorpskern gebouwd, maar de sfeer van het dorp was toen al bepaald. Het jongste dorp van Nederland, Zeewolde. moest altijd een klein, agrarisch dorp blijven. Dat is niet helemaal gelukt want inmiddels heeft Zeewolde bijna twintigduizend inwoners. Maar het echte dorp, dat blijven toch de drieduizend boeren in het buitengebied, zo’n vijftien kilometer buiten de dorpsgrens.

Martine kent de boeren uit het buitengebied bijna allemaal. Zeven jaar geleden trouwde ze met Arjen, een jonge melkveehouder die als kind met zijn ouders in het polderland kwam wonen. Als twintigjarige werd hij voorzitter van de agrarische jongerenvereniging.

Zeewolde

Ze was in die tijd verslaggeefster van het Veluws Dagblad en had Zeewolde onder haar hoede gekregen. ‘Mijn eindredacteur vroeg of ik een verhaal wilde schrijven over de jongerenvereniging van Zeewolde. Die waren aan het mopperen geweest bij de gemeente omdat het zo donker was op de weg naar hun clubgebouw. ‘Kunnen jullie niet een keer iets doen aan die donkere weg?’, hadden ze geschreven. Met al die mensen op de fiets daar naartoe ’s avonds moet er eigenlijk een rijtje lantaarnpalen komen.

Ik schreef wel meer van dat soort verhaaltjes, dus heb ik die voorzitter gebeld. Hij vroeg of ik een keer met hem mee wilde fietsen om met eigen ogen te zien hoe donker het was. Samen zijn we op de fiets dat stikdonkere pad afgefietst. Daarna heb ik een vlammend betoog geschreven, dat er toch echt verlichting moest komen. Mijn chef las dat en was benieuwd hoe zo’n agrarische jongerenvereniging er nu eigenlijk uitziet, hoe veel jongeren daar lid van zijn. Dat bleken er abnormaal veel te zijn want je moest lid zijn om dat clubgebouw in te mogen. Ik heb opnieuw een afspraak gemaakt met Arjen,  de voorzitter. Ik weet niet waar we het allemaal over hebben gehad die dag, maar zeker niet over het ontstaan van de Vereniging. Terug op de redactie vroeg iedereen waarom ik zo liep te stralen. Mijn eindredacteur dacht dat ik verliefd was, maar ik ontkende natuurlijk glashard.

In de weken erna was Arjen elke week in Zeewolde. Hij wist dat ik als verslaggeefster op de gekste plekken kwam, dus ging hij naar het dorp als er een zwembad werd geopend, een winkelcentrum of als er een bijeenkomst was van verontruste ouders over schoolvervoer. Hij liep rond in de supermarkt in de hoop dat hij tegen me opbotste, ‘goh jij ook hier’?

Op een dag zat ik met een collega bij een raadsvergadering. Kijk, zegt ze, die leuke voorzitter van de agrarische jongerenvereniging is er ook. En daar zat hij, op de publiekstribune. Ik kon alleen nog maar blozen. In de pauze vroeg ik wat hij daar deed. Hij had me overal gezocht vertelde hij ‘Kom volgende week langs’, zei hij, ‘dan ga ik voor je koken’. Met die woorden ging hij weg. Een jaar later waren we getrouwd.

Nu ik meer agrariërs ken, weet ik dat ze zo zijn als hij, recht op hun doel af. Misschien heeft dat wel te maken met het leven dat bepaald wordt door het weer en de seizoenen. In de natuur zijn de dingen gewoon zoals ze zijn en als boeren ergens voor gaan, dan gaan ze er ook voor. 

‘Als kind al droomde ik ervan om buiten te wonen met veel dieren.’

Martine

Hij woonde in het dorp, maar zijn ouders woonden op de boerderij en hij wilde die overnemen. Hij vroeg wat ik daar van vond. Als kind al droomde ik ervan om buiten te wonen met veel dieren. Ik zag het helemaal voor me, een leventje buiten met koeien en paarden.

Dat romantische beeld dat ik van het platteland had, dat zie ik ook bij een televisieprogramma als Boer zoekt vrouw. Dat is begrijpelijk. Ik heb ook bij de televisie gewerkt en ik weet hoe leuk die shotjes zijn van een vrouw op de trekker of in de hooischuur. Het lijkt alsof die vrouwen in een streekroman terecht zijn gekomen. Als je uit de stad komt, denk je dat je heel veel weet, maar je weet niks tot je er woont. 

Er is zo veel waar je aan moet wennen. Dat een boerderij een bedrijf is bijvoorbeeld, waar de hele dag, elke dag van het jaar wordt gewerkt. Kalfjes komen worden niet alleen tijdens kantooruren ter wereld, ook midden in de nacht, op oudejaarsavond of als je net op het punt staat naar een bruiloft te gaan. Ik stond een keer klaar om naar een galafeest te gaan, cocktailjurk aan, hoge hakken. Arjen zou meegaan, maar hoorde dat er de volgende dag regen was voorspeld, dus moest er nog snel gehooid worden. Daar zat ik de hele nacht in mijn mooie jurk en met lippenstift op op een trekker met een hooiwagen erachter. Ik doe daar nooit moeilijk over. Ik wist het in het begin niet, maar je leert al snel dat de koeien op nummer één staan, nou ja, op een gedeelde eerste plaats.

Natuurlijk was ik niet gelijk verliefd op het landschap hier. Als ik nu uit mijn werk kom rijden en ik zie de windmolens, denk ik: ‘heerlijk ik ben thuis’. Maar ik weet nog dat ik als verslaggeefster Zeewolde de eerste keer met mijn autootje over de dijk hiernaartoe reed en me afvroeg waar ik in hemelsnaam was beland. Het is echt zo’n heel nieuw uit de grond getrokken dorp, helemaal grijs met wit en met zo’n keurig plein. Nu zie ik daar wel de charme van in. Het is op zijn eigen manier tot stand gekomen. Het heeft niks eigens, maar dat het niks eigens heeft, dat hoort ook bij Zeewolde. Het zou overal kunnen zijn, toevallig ligt het hier op de bodem van de zee.

Het leuke van boerin zijn, is dat het prima te combineren is met mijn andere werk. In Boer zoekt vrouw lijkt het wel alsof die boeren alleen maar een knecht zoeken. De werkelijkheid is zo anders. Arjen vraagt nooit aan mij: ‘Wil jij de kalfjes met mij voeren?’ of: ‘Zullen we gezellig samen deze week hooi schudden?’ Als ik het aangeef, kan ik alles doen wat ik wil, maar ik ben niet zijn maat, dat is zijn vader. Daar werkt hij mee samen. En als er geoogst moet worden of gehooid, dan ga ik ook wel op de trekker, en ik vind het hartstikke leuk om de stal uit te mesten en erbij te zijn als in april de koeien voor het eerst naar buiten gaan. Dat doe ik graag, maar niemand verwacht van mij dat ik boerin ben. En dat ben je natuurlijk wel omdat je meedoet met het ritme. Ik moet zorgen dat er koffie is en genoeg brood in huis om iemand aan te laten schuiven en mijn boer moet ook eten.

Stallen uitmesten

Wat ik echt leuk vind op de boerderij is stallen uitmesten. Vooral de eerste jaren hielp ik met vegen, legde een dikke laag stro neer en dan was het super netjes. Een van de leukste dingen die ik hier heb gedaan is helpen de koeien naar buiten te brengen. Elk jaar als we ze voor het eerst uit de stal laten, zijn ze door het dolle. Dan voel je aan het kavelpad dat er wat aankomt, dat het beweegt. De allereerste keer had ik me er ook helemaal op gekleed, met mijn hippe spijkerbroek en stoere gympen. Mijn schoonmoeder keek me in verwondering aan en vroeg wat ik aan had. Ik mompelde dat het een oude G-star was, dat het niet erg was als die vies werd. Lachend haalde ze een overall en laarzen voor me uit de stal. Binnen de kortste keren zat ik onder de modder. Als ik nu de koeien naar buiten laat, met mijn schoonouders in een hoek en ik in een andere, dan voel ik me echt familie. Als je ’s avonds de koeien voor het eerst weer in de wei ziet liggen dampen, dan weet ik ook waarom ik hier zo graag woon.

Sinds mijn dochter is geboren help ik wat minder in de stal. Ik ben ook gevoeliger geworden voor de dieren. Dat is iets waar ik aan moest wennen. Ik ben erachter gekomen dat koeien en lammetjes geen huisdieren zijn. We verzorgen ze goed, ze gaan naar buiten en als er een koe ziek is, haalt mijn man gelijk de dierenarts erbij. Als je goed bent voor de dieren, zijn ze goed voor jou. Maar het zijn niet je huisdieren.

Lievelingskoe

Toen ik hier net woonde, had ik had een lievelingskoe. Froukje was echt mijn koe. Maar ze werd ziek en ging dood. Nog steeds kan ik huilen als ik foto’s van haar zie. Maar ik wil me niet meer hechten, al gebeurt dat soms per ongeluk toch. Dat is ook de reden dat ik nog steeds, als een koe door de veehandelaar wordt opgehaald, in de logeerkamer slaap aan de andere kant van het huis. Als die kar komt en die beesten op de laadklep gaan, dat kan ik niet verdragen. 

In het voorjaar ben ik hier helemaal gelukkig, de zomer is onbeschrijflijk, maar de winter kan best grimmig zijn op het land. Toen ik hier net woonde, werkte ik nog voor school-tv. Het was midden in de winter en tot aan de horizon zag je die zwarte aarde met rijen windmolens. Mijn regisseuse bracht me met de auto naar huis, zette me af, zwaaide en reed weg. Nog geen minuut later belde ze me op, of ze me daar niet weg moest halen. Ze vond me zielig. Ik voel me helemaal niet zielig, maar ik kan me voorstellen dat mensen dat denken, zo alleen en zo afgelegen. Ik ben hier gelukkig met Arjen en mijn kindje, het is goed zo.

In de stad kan de winter aan je voorbij gaan, dat kan hier niet. Er zijn dagen dat je niemand ziet. Als ik dan geen interview of bijeenkomst heb waar ik naartoe moet, is het best stil. Vriendinnen vroegen in het begin of ik niet bang was zo helemaal alleen in de wildernis. Maar nee, daar heb ik nog nooit bij stil gestaan.

Ik probeer me nog wel eens voor te stellen hoe het leven vroeger was, toen ik nog presentatrice van school-tv was. Dan stond ik om zeven uur onder de douche en stond ik om half negen in de file te wachten om bij het Mediapark af te slaan. Toen we nog niet op de boerderij woonden, en onze dochter Jonna al geboren was, moest ik haar ’s ochtends vroeg al aankleden om naar het kinderdagverblijf te brengen. Als we nu bij wijze van spreken zin hebben om tot twaalf uur in onze pyjama te lopen, dan doen we dat. Als ik weg moet, gaat ze gewoon met Arjen mee de stal in of naar mijn schoonmoeder, die hier verderop woont. 

Hard werken

Een boerenbedrijf hebben is hard werken, maar het geeft ook veel vrijheid. Voor mij is het nog anders dan voor Arjen. Ik ben niet alleen boerin, maar ik ben ook journalist, doe veel vrijwilligerswerk en sinds kort zit ik ook nog in de gemeenteraad van Zeewolde.

Die politiek komt door mijn betrokkenheid bij het dorp. Een paar jaar geleden zijn vijf jongeren uit het dorp tegelijk omgekomen bij een auto-ongeluk. Toen dat nieuws aankwam, liep het hele dorp naar het plein. De pers sprong er bovenop en er verschenen verhalen in de kranten over het drugsgebruik onder jongeren in Zeewolde. We voelden ons een beetje machteloos over al die negatieve aandacht. Zo ontstond het idee een boekje over onze jongeren in Zeewolde te schrijven met interviews en prachtige foto’s.  Ik wilde laten zien dat er hier ook jongeren zijn die wel normaal leven, die bouwen aan hun toekomst en naar school gaan. 

Met het boekje kregen we heel veel positieve aandacht in de media. Dat gaf de mensen in het dorp het gevoel dat we er wel weer bovenop zouden komen. Op dat moment vond ik ook dat ik iets structureels voor de jongeren in het dorp moest doen. Daarom ben ik de politiek in gegaan. Ik stond op een onverkiesbare plek, maar ben met voorkeursstemmen op de tweede plaats gekomen. 

Leven in een dorp

Ik hou van het leven in een dorp. Het enige wat ik mis aan de stad is dat ik niet even naar het filmhuis kan. Dat ik niet even naar de markt of een gezellig koffiehuis kan lopen. Hier moet je jezelf altijd aanzetten om iets te gaan doen. Lopen naar de markt kan niet, daarvoor moet ik met de auto. Spontaan een wandeling maken kan ook niet. Ik kan over het kavelpad op en neer lopen, maar na twee keer ken je dat ook wel. Snel iets lekkers halen is ook voorbij. Als ik zin heb in witte bolletjes, moet ik die eerst uit de vriezer halen. Ik kan wel op en neer naar het dorp rijden – dertig kilometer –maar je moet toch een operatie ondernemen. Het gemak van even snel iets doen mis ik.

Maar ik mis bijvoorbeeld niet hoe je huis eruit moet zien. Die modetrends waardoor je in de stad de hele dag wordt geprikkeld. Het is minder belangrijk geworden sinds ik hier woon. Ik vind het leuk om mijn eigen stijl te hebben, maar leef niet volgens de laatste modetrends. Ik wil er ook wel leuk uitzien, maar ik ben niet meer zo verslaafd aan kleding als toen ik in Amersfoort woonde. Alhoewel het weer erger is geworden sinds je online kunt shoppen bij de H&M! Ik hoef er niet eens meer voor naar de stad. Ik heb er trouwens nooit last van hoor, dat mensen zeggen: ‘Goh, ben jij boerin?’ Heel vaak geloven ze het gewoon niet. Dan vragen ze: ‘Kom jij van een boerderij?’ Het zal wel komen omdat  ik dreadlocks heb en een piercing in mijn wenkbrauw in plaats van een zakdoek om mijn nek en op klompen. Als ze Arjen zien, geloven ze vaak niet dat hij boer is, zo’n leuke jongen met lange krullen. Zoals ze ook niet geloven dat ik op een boerderij woon. “Je ziet er helemaal niet uit als een boerin,” zeggen ze. Nee, gek hè, wat dacht je dan, dat we met de trekker naar de disco komen?

Trots dat ik boerin ben

Er zijn momenten dat ik echt trots ben op het feit dat ik boerin ben. Als ik in een stads gezelschap vertel dat mijn man en ik een melkveebedrijf hebben en iedereen tegelijkertijd vragen wil stellen. Dat je al die gretige gezichten ziet om te horen hoeveel koeien er zijn, of je om zes uur al moet melken en of het waar is dat je nooit vakantie hebt. Als ik dan vertel over ons leven op het platteland, zie ik mensen glimlachen en knikken en bijna hardop denken: Wat heerlijk om zo’n vrij en rustig leven te hebben. En om dan gewoon niets van die illusie weg te nemen en te genieten van het moment dat ze mij benijden.

Karren vol aardappels

Ik ben ook trots als ik in de oogsttijd over de lange polderwegen rijd, met voor en achter mij grote tractors, bakbeesten van machines, zwaailampen en karren vol aardappels. Daarop zitten mannen die met man en macht werken om de oogst op tijd binnen te krijgen. Mannen die hun warme eten en lunch overslaan en die na het werk met elkaar een biertje drinken en praten over de weersvooruitzichten en over het werk dat nog voor ze ligt. Die mannen zwaaien naar mij als ze met hun grote tractors in de berm gaan rijden zodat ik kan er langs kan.  Het gevoel dat ik onderdeel uitmaak van die bijzondere gemeenschap, dat is super-cool, ik kan het niet anders omschrijven.”

Uit: Domweg gelukkig op het platteland

DierDier

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s