De herenclub

privéclubEen besloten club klinkt als een plek waar mannen iets met schaars geklede vrouwen doen. Zo niet de Industrieele Groote Club. Al honderd jaar is dit een keurige ontmoetingsplaats voor mannen van stand. De sociëteit op de Dam, tot voor kort het best bewaarde geheim van de stad.

” We zijn helemaal geen herenclub,” zegt Anneke de Jong, woordvoerster van de Club. “Vrouwen zijn hier altijd welkom geweest. Wel zijn we een club voor industriëlen en in de begindagen waren er natuurlijk weinig vrouwelijke industriëlen. Nog steeds zijn er niet zoveel vrouwen lid, maar ze hoeven niet meer naar het speciale dameszaaltje als de mannen na het eten een sigaar willen roken.”

De Industrieele Groote Club, opgericht in 1913, is gevestigd in het pand op de hoek van de Dam en het Rokin, recht tegenover de Bijenkorf. Een opvallend groot gebouw, met een sobere gevel. Maar achter die gevel ligt een wereld van marmeren trappen, houten lambrisering en veel glas in lood. Een salon met knikkende obers, leren fauteuils en krakende parketvloeren. Alleen leden en hun introducés mogen naar binnen. Al gelden voor hen strenge kledingvoorschriften. Wie geen stropdas draagt, staat zo weer op de keitjes van de Dam.

Het is donderdagmiddag half vier en op de eerste etage staat een high tea klaar voor een groep heren in pak. Tussen de Chesterfields en palmen staat een grote leestafel. Er liggen bladen als Fem business, Beleggers Belangen en de catalogus van Christie’s. In het restaurant zijn obers bezig de zilveren kandelaars te poetsen. In de bar ernaast zitten vier heren druk te praten als opeens een mobiele telefoon klinkt. “Kijk, dat mag nou niet,” zegt De Jong. “Bellen mag alleen in de hal. We willen het hier rustig houden, een oase in de stad.”

Tot voor kort waren journalisten niet welkom in de club. “We waren daar wat terughoudend in,”  vertelt De Jong. “Wellicht hadden we een andere opvatting over besloten zijn. Naar buiten treden zagen we als een risico. Dan dachten we als we in de krant staan, dan wordt iedereen zomaar lid, maar zo werkt het niet natuurlijk. Niet iedereen kan lid worden.”

Dat kan alleen op voorspraak van drie leden. Je kunt zelf iemand zoeken die jou wil voordragen. Daarna moet je binnen drie maanden nog twee leden vinden. Vervolgens komt je naam op een bord te hangen. “Als een van onze leden bezwaar maakt, dan nemen we dat serieus.” Zegt De Jong. “Maar je kunt niet zeggen: ‘Jan heeft laatst een glas cognac over mij heen gemorst, die mag geen lid worden’.”

Toch vindt de echte ballotage op een ander niveau plaats. “Onze leden komen wel uit een bepaald sociaal economisch milieu. Daardoor vindt er ook een natuurlijke ballotage plaats. Je moet je hier wel op je plek voelen. De mores van de club zijn heel belangrijk. Je gaat op een bepaalde manier met elkaar om. Het lijkt hier soms wel een kroeg, maar dat is het niet. Het is hier natuurlijk wel jasje, dasje. Heren horen een stropdas te dragen en vrouwen gepaste kleding. Met een spijkerbroek en op gympen kom je er echt niet in.”

De term old boys network vindt ze geen belediging, maar ook geen compliment. “Mijn eerste associatie met de club is toch vooral netwerken. Maar er zijn ook mensen die hier alleen voor de gezelligheid komen. Sommigen gebruiken dit echt als sociëteit, om te bridgen of de krant te lezen.”

Jan de Groot (58) is al vijftien jaar lid van de Club. In die tijd heeft hij het stoffige imago van de club enorm zien veranderen. “Er lopen hier nu veel jonge, dynamische ondernemers rond. En al is het niet meer helemaal OSM (Ons Soort Mensen), het blijft natuurlijk toch een bepaalde afspiegeling van de maatschappij. De mensen hier weten zich beter te bewegen en kennen bepaalde manieren. Dat is wel prettig.” Hij gebruikt de Club vooral voor zakelijke presentaties of om er te lunchen met relaties. “Kijk, je kunt natuurlijk bij Krasnapolsky gaan zitten, maar in de financiële hoek waar ik zit, heb je toch met privacy te maken. Die vind je hier.”

Mede-clublid Rene Weijerman: “Toen ik nog werkte, had ik relatiemanagers die ’s avonds naar moeder de vrouw moesten, maar ik zei altijd: ‘Als je achter je pc blijft zitten, komen er geen nieuwe zaken binnen’. Ik ging vaak ’s avonds naar de Club. Dat verlengt natuurlijk je werkdag, maar er zijn ook fraaie zaken uit voortgekomen.”

Inmiddels gebruikt hij de Club vooral privé. Hij is een van de oprichters van de golftafel en de vastgoedtafel, maandelijkse bijeenkomsten op de Club. Weijerman: “Bij de golftafel vind je allemaal lieden die golfen. Elke laatste maandag van de maand komen we bijeen. Als het mooi weer is, spelen we overdag golf en sluiten we af met een diner op de Club. Een paar keer per jaar hebben we een uitwisseling met Sociëteit de Witte in Den Haag en spelen we bij de Koninklijke Golfvereniging in Wassenaar. Wat ook heel aardig is, is de jacht- en wildtafel. Daar was ik gisteravond nog. Ik jaag zelf niet, maar ik hou wel van wild.”

Ook Weijerman vindt dat de Club de laatste jaren behoorlijk verjongd is. Zelf heeft hij in het afgelopen jaar zevenendertig nieuwe leden geïntroduceerd via zijn eigen netwerk. “Dat is misschien wel het verschil met de Witte in Den Haag. Daar zie je relatief veel oude mannetjes naar binnen strompelen. Bij ons is het fossiele karakter toch wat minder.”

Op de vraag hou oud hij zelf is, antwoordt hij: “vijfenzestig, maar iedereen, mijn kinderen én kleinkinderen, vinden dat ik er tien jaar jonger uitzie.”

Gedanst wordt er ook op de Club. Niet elke zaterdag, zoals bij de Kring, maar een keer per jaar, op het grote jaarfeest. De Jong: “Vorig jaar was dat vlak na het overlijden van André Hazes. Toen ging hier wel zijn muziek op en is er keihard meegezongen. We hebben ook wel eens een Amsterdamse avond gehad. Hadden we mooie kitscherige beeldjes neergezet en roze schemerlampjes. Dan lijkt het hier wel de Jordaan.”

Beroemde leden heeft de club ook. “Namen noem ik natuurlijk niet,” zegt De Jong. “En bij beroemde mensen moet je niet denken aan bekende Nederlanders, maar aan topmensen uit het bedrijfsleven. Jonkheren en baronnen, dat zeg ik niet, want dat vind ik weer zo cliché. Onze beschermheer was Prins Bernhard. Dat was natuurlijk niet iemand die zich hier regelmatig onderhield met onze clubleden, maar hij is wel eens op een jaardiner aanwezig geweest.”

Een van de weinige, vrouwelijke clubleden is Lise van de Kamp (52). Zes jaar geleden verhuisde ze van Breda naar Amsterdam. “Al mijn hele leven vond ik Amsterdam de mooiste stad van Nederland,” vertelt ze. ”Toen ik ging scheiden, dacht ik: dit is mijn kans. Bovendien, als je in je eentje in een klein stadje woont, ben je gelijk zielig. Hier is de helft van de mensen single. Ik woonde er nog maar net toen ik een afspraak had voor mijn werk. Ik was uitgever bij Kluwer en een van mijn auteurs wilde afspreken in de Industriële Groote Club. Ik was enorm onder de indruk. Je loopt vanaf de Dam over die rode loper en opeens ben je in een volstrekt andere wereld. In een folder las ik dat de club is opgericht in de tweede Gouden Eeuw om mensen die hier zaken kwamen doen met elkaar in contact te laten komen. Ik betrok dat gelijk op mezelf. Pas later las ik dat je door drie mensen voorgedragen moest worden. Ik dacht: dat is gek, dan willen ze dat je contact legt en dan moet je er al drie kennen. Daar klopt niets van. Ik had wat tijd over, dus heb ik een brief geschreven om te zeggen dat ik het idioot vond. Het werd een nogal vlammend betoog. Maanden later werd ik gebeld, of ik een keer wilde langskomen. Het was een heel leuk gesprek en ter plekke besloten de drie bestuursleden om mij voor te dragen. Maar ik moet erbij zeggen, normaal gesproken kan dat niet.”

“Er zijn niet zo veel vrouwen lid van de club. Daar kan ik me wel aan ergeren, maar ik vind het ook wel weer leuk om een van de weinige vrouwen te zijn hier. Het leukste van alles is het jaardiner. De eerste keer dat ik hier kwam, kwam ik binnen in een lange jurk. Zaten er een paar honderd mannen in smoking aan tafel en was ik een van de vijf vrouwen. Dat was heel apart. Nu is dat wel veranderd. Ik heb wat meer concurrentie.

Het is ook een plek waar je als vrouw alleen heen kunt. Vragen als: ‘Kom je hier vaker’ en  ‘Ben je alleen?’ hoor je hier niet. Terwijl als ik in Hoppe sta, dat de eerste vraag is.”

Ze benadrukt dat het ontmoeten van mensen niet haar hoofdreden is om lid te zijn. “Dan kan ik beter naar de Kring gaan, of naar Arti. Daar zou ik privé meer mensen tegenkomen die ik leuk vind, maar dit gebouw is zo verschrikkelijk mooi. Het is een soort vergane glorie. Elke keer als ik die trap op loop, voel ik me een koningin. Alleen mijn grote liefde ga ik hier niet vinden. De meeste mannen zijn getrouwd en gaan om een uur of tien naar huis.”

“Wat ook fijn is,” vertelt Van de Kamp, “is dat er op de club niet wordt gepocht over boten en het tweede huis in Frankrijk. Ik heb nog nooit iemand horen opscheppen over zijn auto. Want ze hebben allemaal een mooie auto. Behalve ik dan.”

Door: Manon Sikkel

Ook gepubliceerd in Het Parool 2005

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s