Deborah viel tien keer per dag flauw

deborah

Jarenlang viel ze om de haverklap flauw en raakte dan tijdelijk verlamd. Omdat er geen fysieke oorzaak was, zei zelfs de psychiater dat ze zich aanstelde. Toen bleek Deborah te lijden aan conversie: haar lichaam zet psychische stress om in lichamelijke misère.

Toen ze 20 was, zakte ze voor het eerst door haar benen. Deborah de Poorter werkte naast haar studie in een café-restaurant. Het ene moment stond ze daar met een dienblad vol glazen, het volgende lag ze op de grond – als een plumpudding in elkaar gezakt. Niks ernstigs, vond ze zelf. Een ongelukje, zei ze tegen haar ongeruste collega’s.

In de weken erna viel ze nog een paar keer flauw, dus ze ging toch maar naar de huisarts. Die verwees haar naar een psycholoog. ‘Ze dachten allebei dat ik depressief was,’ zegt De Poorter. ‘Hoewel ik daar zelf niet van overtuigd was, slikte ik de antidepressiva die de huisarts me voorschreef. Ik wist dat het niet goed met me ging, maar niet wat er aan de hand was.’

Een paar maanden later kreeg ze op haar opleiding een paniekaanval. ‘Eerst kreeg ik het erg benauwd, alsof er langzaamaan stenen op mijn borst werden gelegd. Ik begon te hyperventileren en mijn hele lichaam ging tintelen.’ Omdat ze steeds vaker zulke aanvallen kreeg, verhoogde haar huisarts de dosis antidepressiva en gaf haar een kalmeringsmiddel.

Nu, vijf jaar later, weet ze dat dat niet de juiste remedie was voor haar aandoening. De Poorter (24) heeft een conversiestoornis. Wanneer er te veel stress is in haar leven, gaat er in haar hersenen als het ware een knop om: haar lichaam schakelt bepaalde functies uit, zodat ze de stress niet meer voelt.

Conversie leidt tot klachten die zo ernstig zijn dat je ze niet kunt negeren. Deborah de Poorter kreeg stuiptrekkingen en ernstige verlammingsverschijnselen; er zijn ook patiënten die last hebben van blindheid of doofheid – soms tijdelijk, soms zeer langdurig. Neurologische klachten zonder aanwijsbare fysieke oorzaak, en daarom is de diagnose conversiestoornis moeilijk te stellen. Bij De Poorter duurde het dan ook jaren voordat ze wist waarom ze telkens tegen de grond klapte.

‘In het begin werd vaak gedacht dat ik mijn aanvallen bewust fingeerde,’ zegt De Poorter. ‘Mensen uit mijn omgeving dachten soms dat ik op die manier aandacht vroeg. Sommigen zeiden letterlijk dat het nu wel genoeg was geweest met dat flauwvallen.’ Haar eigen laconieke houding droeg mogelijk aan die verdenking bij. Maar ontkenning van de ernst van de verschijnselen is een kenmerk van conversie: de patiënt ervaart de stress immers niet.

Bij De Poorter was dat al jarenlang het geval, zo blijkt uit haar verhaal. ‘Ik kom uit een dorpje in Zeeland en droomde van werken in de horeca in een grote stad. Dus toen ik in Breda ging studeren, nam ik ook een baan in een café-restaurant. Daar liet ik anderen veel te veel over mijn grenzen heen gaan. Als ze me vroegen of ik er een dienst bij wilde nemen, zei ik altijd ja. Voor ik het wist, werkte ik naast mijn studie maatschappelijk werk veertig uur in het café. En na het werk ging ik nog uit.’

Ze noemt het nu ‘de ultieme vlucht’ voor allerlei problemen in haar leven. Een jaar eerder was haar moeder ernstig ziek geworden, haar broer had grote privé-problemen, en bij haar thuis was ingebroken. ‘Ik kon niet meer alleen thuis zijn. Ik deed er alles aan om maar niets te voelen.’

Intussen viel ze steeds vaker flauw. Dat gebeurde bij elke heftige emotie. Ook overkwam het haar altijd wanneer ze schrok, en af en toe zomaar, zonder directe aanleiding. ‘Soms was ik na zo’n flauwte nog twee uur verlamd. Dan lag ik op de grond en kon ik niets bewegen. Ik was dan helemaal in paniek.’

Huisgenoten of collega’s belden telkens de ambulance. ‘Die weigerde na een paar keer nog te komen omdat ik zo vaak verlamd was.’ Ze werd steeds banger om flauw te vallen. ‘Op een keer bracht mijn bazin me thuis omdat ik zo vaak was gevallen op het werk. Op weg naar de wc viel ik voor de zoveelste keer die dag flauw. Daar lag ik, in mijn studentenhuis op de grond in de gang. Ik was verlamd, kon alleen maar angstig voor me uit kijken. Pas na een uur kon ik weer bewegen.’

Daarna was ze zo in paniek dat ze niet meer alleen durfde te zijn. ‘Ik ben naar mijn toenmalige vriend gegaan. De volgende dag bracht hij me naar huis omdat hij moest werken. Samen liepen we ernaartoe. Flauwvallend heb ik de weg afgelegd: om de paar meter viel ik op de grond. Hij ondersteunde me wel, maar het rechtop komen was al te veel. Ik was telkens even buiten westen. Hij belde maar weer eens de huisarts, maar die kon niets voor me doen. Thuis hebben mijn vriend en mijn huisgenoten me naar boven gedragen.’

Ze riepen een psychiater te hulp. ‘Die vond dat ik aandacht zocht,’ zegt De Poorter. ‘Daarom gaf hij iedereen het advies om me alleen te laten. Ik voelde me zo afschuwelijk eenzaam.’

Uiteindelijk haalden haar ouders haar op om een paar maanden thuis uit te rusten. In de periode erna kon De Poorter slechts een paar uur per week naar school. In de horeca werkte ze nog maar af en toe. Alles wat ze deed was haar te veel en de flauwtes hielden aan, net als de daaropvolgende verlammingen.

Toevallig hoorde ze over het Colk in Gorinchem, een kliniek voor onverklaarde lichamelijke klachten. ‘Ik ging ernaartoe voor een intake en viel al in de hal. Toen ik nog voor het gesprek voor de tweede keer onderuitging zeiden ze dat het beter was als ik direct zou worden opgenomen. “Ik kan wel twee weken vrij nemen,” zei ik. Het werden tien maanden.’

Na twee jaar zoeken naar de juiste diagnose en remedie belandde ze aldus eindelijk op een plek waar iedereen dezelfde ervaringen had. Al deze patiënten hadden artsen, psychologen en ziekenhuizen bezocht, waren beticht van aanstellerij, gestuit op onbegrip, en behept met een lichaam dat steeds slechter ging functioneren. De Poorter: ‘De kliniek heeft het uitgangspunt dat structuur goed helpt voor mensen met een conversiestoornis. Ze kennen bijna allemaal hun eigen grenzen niet: ze gaan maar door. Door een vast dagritme, met op vaste tijdstippen activiteiten en rust, leer je je eigen grenzen kennen en bewaken.’ Vóór haar opname las ze een boek per dag, zegt ze. ‘Ik bekeek ook eindeloos veel televisieseries, aflevering na aflevering, om maar niet aan mijn eigen situatie te hoeven denken, doodsbang om iets te voelen. Ik was gewend al mijn gevoelens weg te stoppen. Dat hielp misschien wel even, maar het uiteindelijke gevolg was dat ik mezelf niet meer kon ontspannen. Mijn lijf en geest stonden zo onder spanning dat ze overprikkeld waren.’

Daarom begon de therapie met een rustprogramma. Daarin moest ze bijvoorbeeld drie keer per dag tien minuten op bed liggen en niets doen, er alleen maar ‘zijn’. ‘Het was de bedoeling dat ik mezelf op die momenten zou ontspannen. Mijn lichaam reageerde in eerste instantie juist heel heftig. Mijn hart ging tekeer, ik raakte in paniek, het voelde alsof ik op zee was.’ Omdat ze zich tijdens die momenten niet meer kon laten afleiden door prikkels van buitenaf, konden haar lichaam en geest op den duur tot rust komen. Zo leerde ze om naar haar lichaam te ‘luisteren’.

Er volgden individuele therapie, groepsactiviteiten, psychosomatische fysiotherapie en creatieve therapie. Niet alleen haar fysieke gewaarwordingen moest ze leren ervaren, ook haar emoties, zoals vreugde, angst, boosheid, of verdriet. ‘Ik wist niet meer wat normaal was om te voelen. Als ik me vroeger ergens niet goed over voelde, negeerde ik het, en mijn lichaam reageerde door flauw te vallen.’

Inmiddels heeft ze nog maar tien aanvallen per jaar. Dat is niets vergeleken bij vroeger: tien per dag. Wanneer ze nu verlamd op de grond ligt, legt haar vriend een kussentje onder haar hoofd en vraagt af en toe of het gaat. Ze is in staat heel rustig te blijven liggen en zonder paniek na te denken, net zolang tot ze weer kan bewegen.

‘Een paar maanden geleden had ik voor het eerst weer vier aanvallen achter elkaar. Ik kreeg heftige stuipen. Het gebeurde tijdens de therapieavond – sinds mijn opname volg ik therapie bij de ggz. Ik dénk vaak dat ik mijn emoties goed kan hanteren, maar dat is niet zo. Heftige emoties, zoals boosheid, slaan bij mij naar binnen.’

Ze vindt zichzelf al iets assertiever dan vroeger, maar nog steeds is ze snel bang om een ander te kwetsen. ‘Ik vind het lastig om tegen iemand te zeggen dat ik iets niet leuk vind. Dat kan om kleine dingen gaan, zoals een uitje waarvoor het me aan zin of energie ontbreekt. Ook wanneer iemand me kwetst, vind ik het moeilijk om dat te zeggen.’

Van jongs af aan heeft ze het idee gehad dat ze niet mocht klagen of zeuren. ‘Ik heb altijd op mijn tenen gelopen om aardig gevonden te worden. Ik voel spanningen heel goed aan en kan me sterk in anderen inleven. Als ik er niet altijd voor de ander ben, denk ik dat ik een slecht mens ben. Dat is een sterke overtuiging die ik moet leren loslaten: niemand hoeft natuurlijk altijd voor een ander klaar te staan. Ik wil verantwoordelijkheid voor mezelf gaan nemen. Mijn studie heb ik moeten opgeven. Dat was te belastend, net als het werk in de horeca. Ik kan niet werken als ik steeds flauwval, maar van thuiszitten word ik ook niet gelukkig.’

Het kwetst De Poorter nog altijd als anderen denken dat ze zich aanstelt. Zelf meent ze dat weinig mensen haar aandoening echt begrijpen. ‘Maar ik snap dat ook wel weer. Het is ook moeilijk te begrijpen dat je lichaam iets uitschakelt omdat je geest de spanning niet aankan.’

Of ze ooit helemaal zal genezen? ‘Vijf jaar lang hoopte ik dat de aanvallen ooit over zullen zijn. Inmiddels geloof ik niet meer dat het op een dag zover is. Dat vind ik heel pijnlijk. Maar als ik niet accepteer dat deze kwaal bij me hoort, maakt dat de verschijnselen erger. Op goede dagen lijken de aanvallen ver weg, maar ze liggen altijd op de loer.’

Inmiddels heeft Deborah een boek gepubliceerd en heeft ze een site met inspiratie, informatie en ervaringsverhalen over alles rondom onverklaarde lichamelijke klachten: http://hetvaltwelmaarnietmee.nl

Wat is conversie?

Conversie is Latijn voor ‘omzetting’. Iemand met een conversiestoornis zet een psychisch probleem om in een lichamelijke klacht. Dat gebeurt onbewust. Als gevolg van grote stress schakelen de hersenen bepaalde lichaamsfuncties uit. De verschijnselen kunnen ernstig zijn: flauwvallen, verlamming, doofheid, blindheid, stuiptrekkingen, niet meer kunnen praten. Soms is de uitval kortdurend, bijvoorbeeld een kort moment van verlamming of blindheid, direct gevolgd door herstel. Maar de conversiestoornis kan ook chronisch worden, met langdurige of blijvende uitvalsverschijnselen.

De neurologische klachten zijn echt, maar er is geen lichamelijke verklaring voor; de oorzaak is psychisch. Vaak worden de conversieverschijnselen voorafgegaan door een stressvolle gebeurtenis of periode. Maar soms zijn traumatische gebeurtenissen van langer geleden de oorzaak. Dat er niet altijd een directe aanleiding is, bemoeilijkt de diagnose. Bovendien komt de aandoening niet zoveel voor.

Conversiepatiënten nemen normale lichamelijke signalen zoals pijn of hartkloppingen niet waar. Dat gebeurt onbewust, maar soms ook bewust: ze negeren signalen omdat ze de ernst ervan niet inzien. Daardoor gaan ze te lang door met dingen die ze eigenlijk niet fijn of te stressvol vinden. De behandeling, onder meer bij het Colk in Gorinchem en Altrecht Psychosomatiek in Zeist, richt zich daarom op leren luisteren naar signalen van het lichaam, nee leren zeggen, en overbelasting voorkomen.

Door: Manon Sikkel

Image: http://hetvaltwelmaarnietmee.nl

Ook verschenen in Psychologie Magazine 2012

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s