Domweg gelukkig op het platteland

domweg gelukkig rob bye‘Ik ben dol op fileberichten. Ik kan er uren naar luisteren als ik door het weiland rij.’ Remco Van Zoest in Witteveen (Drenthe)

Na zijn studie in Amsterdam wil Remco nog maar een ding, zo snel mogelijk weg uit de stad. Het liefst woont hij in een hutje op de hei, met wat honden, paarden en een houtkacheltje. Zijn vrouw Anouk, opgegroeid in de stad, wil liever eerst nog even wennen. Het compromis is Zwolle, maar dat blijkt niet zo landelijk te zijn als ze hadden gehoopt.

“Voor mij had Zwolle niet gehoeven,’ vertelt Remco (36). Ik wilde liever naar het platteland, maar voor Anouk (32) was die stap te groot. Dus zijn we van Amsterdam naar Zwolle verhuisd, al wisten we niet precies waar dat lag. Tot op de dag van de verhuizing dachten we dat we in Zutphen gingen wonen. Ik wilde naar een dorp, Anouk wilde eerst een tussenstop om te wennen aan buiten de stad wonen. “Zwolle is heel leuk”, zei ik. Mijn ex-vriendin had er vrienden wonen en ik was er een paar keer op bezoek geweest. Een prachtig stadje, met stadsmuren en midden in de natuur. Anouk is zeer flexibel, dus toen ik Zwolle noemde, zei ze: “Oké, als jij zegt dat het mooi is”. Ik werkte in die tijd in de gevangenisbibliotheek in Amsterdam en het bleek dat er een bibliothecaris wegging uit de vrouwengevangenis in Zwolle. Ik kon zonder problemen worden overgeplaatst. Anouk wilde graag naar het conservatorium en ook dat bleek er in Zwolle te zijn. We hadden een advertentie gezet voor woningruil en al heel snel belde er iemand op die zes jaar woonduur had in Zwolle en dat graag wilde ruilen tegen onze etage in Amsterdam. Binnen een paar weken hadden we dus een baan, een opleiding en een huis in Zwolle. Ik belde mijn ex om haar het telefoonnummer van haar vrienden te vragen. Ik vertelde dat het me leuk leek om ze op te zoeken nu ook ik in Zwolle ging wonen. “In Zwolle?” Vroeg ze. “Maar daar wonen ze niet, ze wonen in Zutphen!” Maar ja, toen hadden we al een huis, een baan en een opleiding en zijn we maar naar Zwolle gegaan.

Ik ben er gaan kijken om een woning uit te zoeken. Ik vond het er leuk genoeg, maar Anouk had opeens niet zo heel veel zin meer om te verhuizen naar een plek waar ze nog nooit was geweest. Mijn moeder vond het een slecht uitgangspunt om te verhuizen – die begreep sowieso niet waarom we Amsterdam uit wilden – dus die besloot dat ze ons ernaartoe zou brengen. Op een zondag zijn we met z’n drieën naar Zwolle gereden. Dat was best een gezellige dag. We wisten toen nog niet dat Zutphen echt tien keer leuker is dan Zwolle.’

Anouk: ‘Ik was niet heel erg enthousiast, maar ik werd gelukkig aangenomen op het conservatorium, voor de opleiding zang. We wilden uit Amsterdam weg omdat we genoeg hadden van de drukte. Ik ben in Amsterdam opgegroeid. Toen ik vijf was, verhuisde mijn moeder naar het buitenland en bleef ik met mijn vader achter. Ik woonde wel in de stad, maar in de vakanties was ik vaak buiten, bij mijn moeder in Spanje, of bij mijn grootouders op het platteland in Frankrijk. Ik voel me daarom niet honderd procent een stadsmens. Ik wilde altijd al het liefst buiten wonen, met veel dieren. In Amsterdam had ik alles wat je kunt meemaken wel eens meegemaakt. Amsterdam is ook zo’n dorp. Dan zat je hele vriendenkring bij het terras in het Vondelpark en kwam je ze de volgende dag allemaal tegen in de Melkweg.

Ik hou niet van de stad. Mijn vader wel, die vond het dan ook heel stom toen ik vertelde dat ik ging verhuizen. Elke kans die hij zag om te zeggen dat het een slecht idee was, greep hij aan om dat te zeggen.

Na een jaar in Zwolle wilden we weer weg. Het lag niet aan Zwolle, maar aan de buurt waar we woonden. We wilden eerst de buurt uit, maar toen dat niet lukte, zijn we buiten Zwolle gaan zoeken. We hebben de meest afschuwelijke huizen gezien in Hattum, Raalte en Kampen. We wilden zo graag weg.’

Remco: ‘We hebben ingetekend op huurhuizen in tien dorpen op reisafstand van Zwolle. We zochten binnen een straal van drie kwartier rijden en op plekken waar op de kaart een groene vlek was. Na een maand zijn we eens gaan kijken op de plekken waar we ons hadden ingeschreven en vroegen ons af of we er wel wilden wonen. Soms zagen we gelijk dat het voldeed aan de twee criteria: groen en op rij-afstand, maar dan bleek het een afgrijselijk dorp te zijn. Dan was het wel een leuk huis, maar in een dorp dat meervoudig gereformeerd was. We hebben heel veel dorpen bekeken: Wijster, Mantinge, Drijber, Nieuw Ballinge, Orvelte en Bork, zoals Westerbork hier heet. Na dat rondritje waren we heel enthousiast over Drenthe.

We stonden dan wel ingeschreven, maar het duurde te lang. Toen zijn we gaan bellen om te vragen waar we op de wachtlijst stonden. Ze bleken niet met wachtlijsten werkten. “Hoe weet je dan wanneer je een woning krijgt aangeboden”, vroeg ik. Maar ze werkten niet met volgordes. Ze wist zelfs te vertellen dat ze eigenlijk al een woning voor ons had, maar dat ze die net aan een ander had toegewezen. Even later belde ze terug en mochten we toch als eerste gaan kijken. We kwamen in Witteveen aan, ik zag dat nieuwbouwwoninkje en dacht: “O, nee, hier wil ik niet wonen”.

Anouk: “Die huisjes waren niet zo fijn. Remco wilde al weer weg gaan, maar toen ik achterom liep, zag ik dit fantastische uitzicht over de velden, al stond er toen nog een haag van twee meter hoge coniferen voor. De vorige bewoner had dat prachtige uitzicht vakkundig weggemoffeld. Een paar dagen later kregen we een rondleiding door het huis. De moeder van de vorige huurder had het hele huis leeggehaald toen haar zoon ziek werd. Het hele huis was kaal en overal zat structuurbehang. Als er iets is wat je goed leeg kunt maken, dan is het wel een nieuwbouwwoning.’

Remco: ‘Maar achter het huis stond een houten schuur van tien bij vijf meter. Daar waren we heel blij mee en in onze goedgelovigheid dachten we nog: “Wat een geluk, zo’n mooie huisje erbij”. Maar die moeder wilde daar drieduizend euro voor hebben. Ze had ook nog wat lelijke tuinverlichting en paar extra rollen behang. “Die gooien we gelijk in de container”, riepen wij, en daarmee openden we onze onderhandeling over de overdracht. Van de schuur hebben we nu een huis gemaakt, met een oliekacheltje, waar we slapen, studeren en muziek maken.

Witteveen is het jongste dorp van Drenthe. Tachtig jaar geleden is het opgezet als werkproject voor werklozen uit Amsterdam, Groningen, Breda en Haarlem, die kwamen hier het land ontginnen. Het dorp van de messentrekkers wordt het nog steeds genoemd. Want als  hier ruzie was, werd er geen vergadering belegd en gevraagd wie er notuleerde. Dan werden gelijk messen getrokken. Het bijzondere van Witteveen is dat alles hier binnen een half jaar gebouwd is. Alle boerderijen zijn identiek, de meeste huizen ook. Het dorp bestaat uit twee straten en een klein wijkje met nieuwbouw, dat de bungalow wordt genoemd. Het ligt goed geïsoleerd. De provinciale weg loopt hier langs, maar er is geen afslag. Dat is fijn, want daardoor is het ook echt een klein dorpje. Er zijn geen winkels, maar in de zomer komen de frietkar en de viskar een keer per week in het dorp voorbij en we hebben onze eigen moestuin.

Het bos begint driehonderd meter verderop aan het einde van de straat. En midden in dat bos ligt een prachtig meer. Die eerste zomer hebben we met een opblaasbootje de hele dag op dat meer gaan gedobberd. We gaan er elke dag zwemmen, dat houden we vol tot oktober.

Er zijn 430 inwoners, waarvan 340 binnen de bordjes Witteveen. Ik ken niet iedereen, maar zeker de helft ken ik van gezicht. Er zijn eigenlijk maar twee grote straten. Als je daar drie keer per dag met je honden langs wandelt, kom je uiteindelijk iedereen tegen in het dorp en het buitengebied. Je zegt elkaar een keer per dag gedag. Als je bij elkaar in de straat woont, vaker. Het grootstedelijke leven is niet te vergelijken met het echte landleven. En het is ook niet te vergelijken met het leven in een provinciestad als Zwolle. We hebben heel lang een huis op het Franse platteland gehad. Het was het familiehuis van Anouks familie. Allebei voelen we ons meer verbonden met de bevolking daar in het dorp dan dat we ons verbonden voelen met mensen in de stad. Zet mij een half jaar in Rotterdam-Charlois, om maar iets te noemen, en ik zou echt integratieproblemen hebben. Ik ben geen plattelander, maar ik snap het leven er beter, beter dan in de stad.

Op de dag van de verhuizing ging onze hond achter de kippen van de buren aan. Anouk dook gelijk achter haar aan door de heg en riep: “Hallo, ik ben de nieuwe buurvrouw”. Een uur later belde ik aan en zei: “Dag, ik ben de buurman die vulmiddel komt lenen”. Weer een uur later had een van onze honden de ander iets te hardhandig door de tuin achterna gezeten. Heb ik weer aangebeld met de vraag of ze een goede dierenarts kenden. Het was een beetje raar om op de eerste dag drie keer aan te bellen, dus de volgende dag zijn we het goed gaan maken. Het was alsof we elkaar al jaren kenden. We hebben inmiddels de haag tussen onze tuinen weggehaald. Nu zitten we ’s avonds naast elkaar vuurtjes te stoken in de tuin. Onze grootste gemeenschappelijke angst is dat een van ons gaat verhuizen.

We zijn onszelf ook aan de andere mensen in de straat gaan voorstellen. Een van de buurvouwen zei: “Ik ben een echte Drent, ik ga eerst een jaar de kat uit de boom kijken”. Ze woont twee huizen verderop, maar het eerste jaar heeft ze niks laten blijken. Na dat jaar werd ze heel gezellig. Het is een hele lieve vrouw. We zijn blijkbaar door een bepaalde proef heen gekomen. De enige fout die we hebben gemaakt is dat we in het begin een borrel voor alle buren hadden moeten geven. Dat hoort echt.

Toen we er drie weken woonden, zijn we naar het jaarlijkse zomerfeest te gaan. Iedereen kende ons daarna. Daar hebben we heel veel goodwill mee gekweekt. Het was een zondag en ik lag al in bed, maar dacht: “Dit is niet goed, ik moet terug”. De eigenaar van het restaurant had zich verkleed als Andre Hazes. Onder het zingen duwde hij de microfoon onder mijn neus. Dat ik alle liedjes kon meezingen, heeft me gelijk een bijnaam gegeven. Tot op de dag van vandaag heb ik voordeel van dat zomerfeest.

Ik geloof dat we het inburgeren per ongeluk goed hebben gedaan. Zo kwam er een van de eerste dagen een meisje om geld op te halen voor de grote clubactie. Ik gaf haar geld en kreeg gelijk te horen we er in het dorp wel en geen geld had gegeven en dat haar eigen oom niet eens wat had gegeven. Die kocht er bier voor, en die van nummer dertien hadden ook niks gegeven. Ik was zo blij dat ik wel had betaald. Ik sponser nu voetbalclub de Witteveense Boys, Witteveen Vooruit, de ijsvereniging en de Witteveense huisvrouwenbond.

Er kwam ook iemand aan de deur vragen of ik lid wilde worden van Dorpsbelang. Ik had geen idee wat dat was. Ik had ook geen idee waarom ik daar lid van moest worden. Ik zei tegen die vrouw: “Ik wil geen lid worden, maar ik heb nog drie euro zeventig in mijn portemonnee zitten en die geef ik als eenmalige bijdrage”.

Een paar dagen later was ik een nummerplaat kwijtgeraakt. Het was een vreselijk gedoe om een nieuwe te krijgen. Ik moest naar het postkantoor, allemaal papieren invullen en zeventig euro betalen. Toen ik een paar dagen later bij de garage in het dorp kwam om ze erop te laten zetten, riep de garagehouder gelijk: “Kom je je nummerplaat ophalen?” Nu blijkt dat iedereen wel eens een nummerplaat verliest op die hobbelige keien in het dorp, en als je er een ziet liggen, dan raap je die op en breng je die naar de enige garage van het dorp. Dat scheelt veel gedoe én zeventig euro. Hij lachte zich dood dat ik dat als nieuweling niet wist. In de hoek van de garage zat zijn moeder. Dat bleek de vrouw van Dorpsbelang te zijn. Die vond het weer zo grappig dat ik haar de laatste munten in mijn portemonnee had gegeven, dat ze haar zoon vroeg om gelijk die nummerplaten erop te zetten.

Als ik nieuwe banden heb gehaald bij Quick Fit, zegt Richard, de garagehouder: “Daar had je mij voor moeten vragen”. Je went eraan. Het is ook grappig. Je kunt er niet naartoe gaan om gewoon je auto te brengen. Je moet eerst koffie drinken, dan moet je het fotoalbum van de kleinkinderen doornemen, de vakantiefoto’s bekijken, kopje thee, koekje erbij. Dan zit ik daar met Richard, zijn vader, zijn moeder en het kleinkind. Dat kan zo de hele middag duren.

Inburgeren kan ook fout gaan. In Orvelte, een dorp verderop, gaat het verhaal over een westerling die lid werd van de plaatselijke toneelvereniging. In het westen had hij ook toneel gespeeld, dus hij wist er wat van. De penningmeester koos elk jaar de stukken uit en een stuk vond hij machtig mooi, dus werd dat elk jaar gespeeld. Het is de klucht van de overspelige echtgenoot. Het hele dorp weet elk jaar dat dat op het repertoire staat. Die westerling was de eerste die dat van het toneel joeg. Hij vond dat ze na achttien jaar maar eens een ander stuk moesten spelen. Toen brak er iets bij die penningmeester. Die man gaf zijn ziel en zaligheid aan die club omdat hij de klucht van de overspelige echtgenoot op de planken wilde. De westerling wilde eerst notulen maken, maar Orvelter boeren hoeven niet te notuleren, die onthouden alles. Dat is volledig uit de hand gelopen. Zo erg zelfs, dat de toneelvereniging die al veertig jaar bestond is opgeheven. Je moet dus niet te veel integreren.

Er is een sterke sociale controle, maar ik vind dat wel lekker. Op een dag was ik in de voortuin aan het werk. Er kwam een buurtbewoner langs. Hij bleef staan en zei: “Zo, werken op zondag”? “O nee”, dacht ik, “we zijn in een kerkdorp beland”. Blijkt dat er niet eens een kerk is. Ja, die is er wel, maar die is omgebouwd tot huis. Maar elke zaterdag om zes uur luiden ze nog steeds de klok. Dat was voor de veenarbeiders het signaal dat het weekend was begonnen. Die mensen werkten zo gruwelijk hard, dat ze op zondag echt niets deden. Dus zondag is hier nog steeds een echte rustdag. Niemand houdt je tegen als je werkt, maar ze vinden het wel raar.

Mensen mogen hier ook graag roddelen. Een leuk voorbeeld: Anouk was bij haar moeder in Spanje toen Maryse, een gemeenschappelijke vriendin van ons in het dorp, vroeg of we langs wilden komen. Haar vriend was weg, zij was alleen thuis. Ik ben langs gegaan en Maryse vertelde dat er een leuke film op tv was. De televisie was alleen op de slaapkamer. We lagen op bed tv te kijken, maar hadden last van het licht van de straatlantaarn. Terwijl ze naar het raam liep om de gordijnen dicht te doen, zei ze: “Dit is niet verstandig”. Mijn auto stond voor de deur en het hele dorp wist natuurlijk dat zowel Anouk als Maryses vriend niet in Witteveen waren. En dan ziet de buurvrouw ons boven in de slaapkamer met de gordijnen dicht. Als Maryse en ik samen naar de supermarkt in Bork gaan, is er ook altijd iemand die ons daar ziet. Dan kom je een buurvrouw tegen die fijntjes zegt: “Zo, met z’n tweetjes op stap”?

Maar ach, overal heb je leuke mensen en stomme mensen. In Amsterdam kun je een hekel hebben aan je buurman en dat heeft geen enkele invloed op je leven. Als je hier onenigheid hebt met je buren, dan weet het hele dorp dat je ruzie hebt en iedereen bemoeit zich ermee.

Je hebt Drenten en import en bij de import speelt weer mee wanneer je er bent komen wonen. Ik schaam me bijna, maar er zijn nieuwe mensen in de straat komen wonen en die zie ik echt als import, want zij hebben de verschrikkelijke sneeuwstorm van vorig jaar niet meegemaakt.

Vorig jaar maart lag er een halve meter sneeuw. We konden echt geen kant op. De sfeer in het dorp was zo goed toen. Het eerste wat je denkt is, oké, hoe kom ik aan boodschappen? Het antwoord is niet, want de dichtstbijzijnde winkel is acht  kilometer verderop. We konden nog niet eens ons tuinpad af, maar elke ochtend kwamen de boeren uit het buitengebied met de trekkers het dorp in om ons, dorpelingen, te ontzetten.

Ik werk nu als natuurlijk hoefverzorger met paarden. Als ik van mijn werk kom en ik rijd voorbij Nieuw-Balinge, dan word ik rustig. Een tijdje geleden kwam ik nogal gestresst thuis, dan ga ik in de achtertuin zitten en vijf minuten over die akker uitkijken en dan is het over. Op een bankje onder de seringenboom zitten en naar de kippen kijken, is alsof je naar een houtvuurtje kijkt. Ik ben ook dol op fileberichten. Ik kan er uren naar luisteren als ik door het weiland rij.’

Wat ik mis? Een bakker. Zo’n bakker die ook koffie en koekjes verkoopt, dat geeft net weer wat meer leven. Maar het is ook heel grappig dat het er niet is. Ik heb voor mijn verjaardag een broodbakmachine gekregen. Daar komen nu alleen nog steenharde broden uit, maar dat gaat veranderen.

Anouk: ‘In Drenthe zijn we helemaal verliefd geworden op de mooie natuur, de rust en de ruimte. En op de mensen, die heel lief zijn. Toen we nog in Amsterdam woonden, huurden we wel eens een plaggenhut in Drenthe. Dan droomden we van een huisje op de hei. Toen hadden we niet kunnen vermoeden dat we op een dag echt op zo’n plek zouden wonen. Twee stadsmensen op avontuur op het platteland, zo heb ik nooit zo gevoeld.  Ik heb me vanaf het begin thuis gevoeld op het platteland. Aan mijn vriendinnen uit Amsterdam merk ik dat zij echte stadsmensen zijn. Het is moeilijk om contact te houden want het is té buiten voor mensen die niet van buiten houden. Voor mijn Amsterdamse vrienden was Zwolle al te dorps, terwijl dit voor mij bijna nog niet landelijk genoeg is.’

Door: Manon Sikkel

Image: Rob Bye

Ook gepubliceerd in: Domweg gelukkig op het platteland, Manon Sikkel en Marion Witter, Bert Bakker 2010

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s