Ik ben een dandy

dandy hieu leDe dandy kleedt zich extravagant, is welbespraakt en doet niets liever dan een beetje flaneren, het liefst met flaphoed en wandelstok. De liefde beschouwt een echte dandy niet als bijzonder doel en ook geld speelt geen grote rol. Een onbeperkt krediet is wel voldoende. De dandy… bestaat hij – of zij – nog? Het was even zoeken in het land van doe maar gewoon dan doe je al gek, maar we hebben er een paar gevonden. Een mannelijke én een vrouwelijke polderdandy over hun dandy levensstijl.

Volgens de Van Dale is een dandy iemand “die met bijzondere zorg de mode volgt en zijn uiterlijk verzorgt”. Volgens die definitie zou zeker de helft van Nederland uit dandy’s bestaan. Gesoigneerd is de dandy wel. Hij zou nog niet dood gevonden willen worden met een vetvlek op zijn pochet. Maar de mode zou een echte dandy nooit volgen. Om met Oscar Wilde – dandy par excellence – te spreken: “Mode is wat men zelf draagt. Wat uit de mode is, is wat anderen dragen.”

En al zorgt zijn flamboyante voorkomen vaak voor de nodige ophef, het is niet meer dan het symbool van zijn aristocratische geest. Zijn cape en wandelstok zijn middelen om zich van de saaie middelmatigheid te onderscheiden. Maar echt onderscheiden doet de dandy zich met zijn originele manier van denken. Hij heeft een vurige behoefte om oorspronkelijk te zijn. In feite kan hij niet anders. Dandy zijn is geen pose, het is een levenswijze. En de echte dandy onderscheidt zich van de snob doordat hij beschikt over een gezonde zelfspot en een aangeboren gevoel voor schoonheid.

Hoewel de meeste dandy’s leefden in de negentiende eeuw, de tijd dat de burgerij opkwam en de aristocratie langzaam aan macht inboette, kent ook onze tijd nog wel dandy’s. Extravagant, avontuurlijk en op elk moment van de dag met zorg gekleed. Niet bang om op te vallen, niet bang om hardop te leven. Dat geldt voor dichter Jean Pierre Rawie, die nooit zonder wandelstok de deur uitgaat. En vrouwelijke dandy’s, die blijken er ook nog te zijn. Er wordt over ze gepraat en over ze geschreven, want een dandy blijft nooit onopgemerkt.

Dame en dandy Adelheid van Seumeren

“Het is ijdelheid van de geest”

Een dandy zijn, dat is een manier van leven waar je niet voor kiest. Zo word je geboren. Althans, dat is de mening van Adelheid van Seumeren. Ze groeide op in een landhuis aan de Vecht in een gezin met veertien kinderen waarvan zij nummer dertien was. Haar gevoel voor schoonheid en haar liefde voor de kunst heeft ze met de paplepel binnen gekregen. Het gevoel dat ze anders was – een vrouwelijke dandy – heeft ze altijd gehad.

“Ik kleed me dan misschien opvallender dan anderen, maar in wezen ben ik een heel bescheiden mens. Een beetje verlegen zelfs. Als kind was ik heel ziek. Zo ziek, dat de dokters zeiden dat ik afleiding moest hebben. Ik heb toen een tijdje bij de kunstschilder Charles Eyck in huis gewoond. Die had een vrouw, zo prachtig, daar werd je koud van. En ze hadden twee dochters met klompvoetjes. Ik heb er een paar maanden gezeten. Daarna ben ik naar kostschool gestuurd omdat vader dacht dat de nonnen wel goed voor mij zouden zorgen.

Als kind al heb ik het in me gehad om mezelf goed te kleden. Als anderen mensen zich niet goed verzorgen, heb ik daar echt last van. Dat omhulsel dat we hebben meegekregen, dat is zo waanzinnig, daar moet je goed voor zorgen vind ik. Je niet tot in de perfectie verzorgen vind ik oneerbiedig tegenover de geest en het lichaam. Als ik tegenover iemand zit die zijn haar niet gekamd heeft, vind ik dat zonde van mijn uitzicht. We willen toch allemaal een goed uitzicht hebben. Ik kan ook niet tegen vuile ramen. Als je van buiten niet schoon bent, is de geest ook niet schoon. Die kleding is daar helemaal een uiting van. Ik hoop door mij royaler te kleden ook royaler te denken. Dat heb ik altijd gehad. IJdel ben ik ook. Adelheid is ijdelheid. Maar dan ijdelheid van de geest.

Ook mijn huis richt ik goed in. Niet rijk, maar in balans. Van mijn tweede echtgenoot mocht ik geen antiek in huis hebben. Dat was zo ongelukkig. Ik hecht niet aan spullen, maar ik hou wel van een warme sfeer. Veel van wat hier in mijn appartement staat, komt nog uit mijn ouderlijk huis, Queekhoven. Dat was zo onbedaarlijk mooi. Nog altijd vind ik eten met zilveren bestek en tafellinnen belangrijk, maar ik geloof niet dat ik dat goed heb doorgegeven aan mijn kinderen. Maar ja, misschien moet dat zo zijn.

Toen mijn kinderen het huis uit waren, heb ik nog elf jaar in een klooster gewoond. Niet uit geloofsoverwegingen, maar omdat dat praktisch was. Ik had onderdak nodig. Daar heb ik ook de liefste man in mijn leven ontmoet, een abt. Wij zijn de uitgelezen mensen voor elkaar. Hij is zo’n erudiete man. Dat hij in het klooster zit en ik niets van godsdienst wil weten, is geen belemmering. Het belangrijkste is: hij is een mensch. Twee keer per week bellen we. Hij vindt dat we om de beurt moeten bellen, maar dat vind ik zo ontzettend burgerlijk. Een paar keer per jaar ga ik tien dagen bij hem langs. Dan koop ik een vrachtlading wijn voor hem. Dat mag natuurlijk niet in zo’n klooster. Maar iedereen gaat er om acht uur naar bed en ik heb een deal met de bezorger. Dan sta ik om acht uur aan de poort en laden we die kratten wijn uit. Mijn abt is dan hypernerveus. In Amsterdam, waar ik nu woon, komt hij nooit, want hij mag het terrein niet af.

Slapen doe ik niet meer met een man, maar iedereen mag verliefd op mij worden. En mijn vriend de dokter, die mag ik ook niet vergeten. Elke donderdagavond komt hij hier eten. Daarna spelen we een partijtje domino. Hij houdt mij goed in de gaten. En hij is een mooie man.

Het is fijn om door een kleine, elitaire groep geaccepteerd te worden, maar dat mijn uitstraling en mijn manier van kleden ook andere reacties oproept, merk ik als ik over straat loop. Ik verzorg mezelf goed. Een cadeautje pak je toch ook netjes in? Ik pak mezelf elke dag netjes in. Maar als ik in Maison de Bonneterie loop met gouden sieraden, een mooie bloes op een lange rok en er hangt nog ergens een diamant, dan wordt er gegaapt. Dan hoor ik mensen zeggen: ‘Kijk eens wat ze aan heeft! Zou dat echt goud zijn?’ Gelukkig heb ik daar wat op gevonden. Ik heb een baseballpet. Als ik die opzet, kijkt niemand me na. Die pet, misschien hoort dat bij de samensmelting van de burgerij. Iedereen heeft tegenwoordig een pet op.

Vorig jaar ben ik in Amsterdam gaan wonen. In een studio in de binnenstad. Sindsdien heb ik een stralend leven. Mijn dochter vond dit beneden mijn stand, maar ik vind het heerlijk. Ik ben nooit vrij geweest. Eerst zat ik op kostschool, daarna in het huwelijk, toen in het klooster. Echt vrij mogen zijn, dat is niet te beschrijven. Ik heb alleen mezelf. En de stad, die past helemaal bij me. Ik heb een boekje met 22 wandelingen door Amsterdam. Wat ik al niet gelopen heb! Eten doe ik bij de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitae. Dan zit ik daar alleen aan een tafeltje. Dan ben ik heel asociaal en zet een tas op de stoel naast me. Je kunt er goed eten. En ik speel drie keer per week bridge. Ook word ik vaak uitgenodigd voor feesten en diners. Al kosten die me meer energie dan ik ervoor terug krijg. Dus binnenkort trek ik me terug uit het openbare leven. Het wordt een beperkt kluizenaarsschap. Wat natuurlijk niet betekent dat ik me minder goed zal kleden of minder lekker zal eten. En een goed glas wijn laat ik ook niet staan. Koffie en thee, daar doe ik niet aan.

Dandy zijn is geen pose. Je moet het in je hebben, anders kun je het ook niet tot je 63ste volhouden. Wat ik van huis uit heb meegekregen is: royaal denken, niet bang zijn, leven met lef. Je niet op je kop laten zitten door je omgeving, maar doorgaan. Tout droit.”

Dichter en dandy Jean Pierre Rawie 

“Vroeger heb ik nog met wapperende capes rondgelopen”

Hij is niet alleen de best gelezen dichter van Nederland, maar ook de meest flamboyante. Zijn verschijning, met cape en wandelstok, leverde hem de bijnaam de Oscar Wilde van Groningen op. Een gesprek met Jean Pierre Rawie, dichter en dandy.

“Je moet zo gekleed zijn, dat je op elk moment naar een bruiloft of begrafenis kunt, vind ik. Het is toch een zekere vorm van beleefdheid dat je er niet uitziet alsof je net uit je bed komt. Ik ben graag in Italië en als je ziet hoe mensen zich daar op straat begeven. Je pikt de noorderlingen er meteen uit, en niet alleen door postuur. Het is niet erg dat mensen zich ongedwongen kleden, maar dat het zo smakeloos moet, dat is echt verschrikkelijk.

Ik heb me nooit lekker gevoeld in vrijetijdskleding. In mijn geval is het ook erfelijk bepaald. Mijn vader was een buitengewoon nette meneer. Hij was predikant en liep altijd in een fraai donker pak. Hij was af en toe verbitterd als we niet zagen dat hij een nieuw pak had. Mij zul je ook nooit in een joggingpak zien. Ja, als ze die dingen nou eens driedelig zouden uitvoeren.

Vroeger heb ik nog met wapperende capes rondgelopen. Dat doe je niet om mensen op stang te jagen, maar om iets te accentueren. Ik was toen natuurlijk nog niet wie ik later geworden ben. Nu hoeft het niet meer zo, maar toen moest je toch naar buiten uitdragen wie je meende te zijn. Dat was natuurlijk wel een beetje potsierlijk. En dat ik niet ontzettende klappen heb gekregen door om vier uur ’s nachts met mijn dronken kont over de Gelderse kade in Amsterdam te lopen in een zwarte bontjas, met breedgerande hoed en wandelstok met zilveren knop! Dat moet een aparte God geweest zijn die zich over mij ontfermd heeft.

Natuurlijk zijn het alleen maar uiterlijkheden. Het echte dandyisme, zoals dat door Baudelaire is beschreven, dat is natuurlijk een kwestie van levenshouding. Het dandyisme als laatste opflakkering van heldendom in tijden van verval. Kijk, dat is even andere koek.

Opmerkingen van anderen kreeg ik wel, maar die hebben mij nooit gekwetst. Daarom doe je dat ook. Dat zegt diezelfde Baudelaire in een alleraardigst essay over de dandy: ‘Uit elke vouw van zijn kleding spreekt de mededeling: Ik wist dat je zou lachen.’

Ook heb ik een bepaald soort conversatie waardoor je een klein kringetje van adepten om je heen hebt. Maar niet om vier uur ’s nachts op de Gelderse kade natuurlijk.

Die cape draag ik niet meer. Als je meer substantie krijgt door je werk en met name de erkenning daarvoor, dan is het niet meer nodig om jezelf zo te afficheren.

Door mijn werk heb ik nu een prettig soort bekendheid. Het is leuk als iemand je op straat aanhoudt om te zeggen dat hij je gedichten zo mooi vindt. Een beetje notabel zijn in zo’n stad krijg je erdoor. Daar heb je voordeel van. Krediet bij de middenstand bijvoorbeeld. Je weet wat Baudelaire daarover zegt: ‘De dandy haakt niet naar geld als iets noodzakelijks – een onbeperkt krediet is hem voldoende’.

In een interview in Vrij Nederland zei je: ‘Ik heb het gevoel dat de blik van bevreemding die mij overal volgt, steeds prangender wordt.’ Wat bedoelde je daarmee? Ik bedoel dat in symbolische zin. Het is natuurlijk ook een heel merkwaardige levensloop als je uitsluitend voor de kunst kiest. En als je niet ieder jaar een boek publiceert, dan is het ook duidelijk dat het dichterschap een levenshouding is. En daar raakt het aan het dandyisme. Zoals Horatius zei: ‘poeta nascitur, non fit’. Een dichter wordt geboren, niet gemaakt.”

Je had geen buschauffeur kunnen zijn?

“Dan had ik eerst mijn rijbewijs moeten halen.”

Groenteboer?

“Ook daar zijn allerlei bezwaren tegen te bedenken. Zeker van de kant van de klant. Het dichterschap overkomt je een beetje. Dat klinkt wel weer erg romantisch, maar dat is nu eenmaal zo. De gedachte dat je niet naar roem mag streven, dat is een heel recente – dat genialiteit en miskenning onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Daar zou je Goethe, Byron of Petrarca nooit over horen. Het is heel zinvol voor mensen om op een bepaald moment, als je ook zelf vindt dat het terecht is, daar erkenning voor te krijgen. In Frankrijk zeggen ze: ah, vous êtes poète, que voulez-vous boire? Hier zegt men: u schrijft mooie gedichten, maar wat doet u eigenlijk?”

Hoe word je een dandy?

Vertoon je alleen aan de buitenwereld als je er onberispelijk uitziet (volgens de Engelse dandy Beau Brummell).

Een echte dandy trekt niet de aandacht door een opzichtig uiterlijk, maar door eenvoud en perfectie (Beau Brummell)

De beste kleurcombinatie voor galakleding is zwart-wit (uit de dandyroman: Pelham, or the adventures of a gentleman).

Besteed aandacht aan details. Kies portefeuille, sigarettenkoker, zakdoek, balhandschoenen en parfumfles met zorg uit (advies van de Italiaanse schrijver D’Annunzio).

Mode is geen dwangbuis die is opgelegd, maar altijd een eigen vondst. Het resultaat van een artistiek temperament binnen de ruime grenzen van de mode (dandy Max Beerbohm)

Een dandy kan lijden, maar blijft altijd glimlachen (volgens Baudelaire).

De moderne dandy is een rebel die speels omgaat met zijn elegantie. Hij is altijd ontspannen, soms provocerend (uit: Le retour du dandy, in het Parijse tijdschrift Homme en Ville)

Door: Manon Sikkel

Image: Hieu Le

Ook gepubliceerd in: Salome 2006

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s