Breien is goed voor het brein

Breien nick casaleBreien is terug van weggeweest. Niet uit nostalgie naar de jaren vijftig, maar als verzet tegen de massaproductie en het gladde design. De H&M- en Benetton-generatie is in de ban van het insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden.

Handwerken is hip. Begin jaren tachtig werd je bijna uitgelachen als je geen zelfgebreide trui had en in de jaren daarna werd je vooral uitgelachen als je er wél een had. Alleen kleine kinderen en bejaarde mannen konden er ongestraft mee over straat. Die tijd is voorbij. De eerste modeontwerpers kwamen drie jaar geleden al met hun creaties van wol. En deze winter was er geen modemerk zonder breiwerk in de collectie: schipperstruien, lange vesten, coltruitjes, kabeltruien en zelfs beenwarmers. Hoe zelfgemaakter het eruitziet, hoe beter.

Vóórdat breien in de mode raakte, verdwenen aan het eind van de twintigste eeuw nog honderden breiwinkels. De Hema gooide haar wolafdeling er al lang geleden uit. Maar misschien is het nu de tijd om weer bolletjes wol te gaan verkopen. Bij Au Bon Marché, het oudste warenhuis van Parijs, is sinds kort een uitgebreide handwerkafdeling. Een wand vol borduurgarens in onwaarschijnlijk veel kleuren, applicaties, van glitter tot geborduurd, knotten wol, breinaalden, haakpennen en textielverven.

Sinds een paar jaar bestaan er zogenaamde knitting circles op internet, waar vrouwen en mannen elkaar inlichten over ingewikkelde breisteken. Op de Engelse site yesterknits.com is de grootste verzameling oude breipatronen te vinden. Fantastische jarenzestigtruitjes met boothals of coltruien van Mary Quant. Sommige patronen zijn gratis te downloaden, andere kosten een paar pond. Ook in Nederland worden steeds meer patronen via internet uitgewisseld.

In de Afstap, de enige breiwinkel in het centrum van Amsterdam, is het volgens eigenaresse Lonnie Bussink jaren rustig geweest. Maar sinds kort is er weer een enorme toeloop, vooral van twintigers die nauwelijks kunnen breien en nu opeens grof gebreide sjaals willen. ‘Ze hebben het nooit op school geleerd en vaak moeten we ze helpen met het opzetten. Ze breien allemaal met pennen van twee centimeter dik, want het gaat om snel resultaat.’

De tijd dat zelfgebreide kleren op armoede wezen, ligt ver achter ons. ‘Ik verkoop wol van elf euro per bol. Ik dacht dat zoiets te duur zou zijn voor een stad waar zoveel studenten wonen. Maar nee, jonge mensen hebben veel minder moeite met geld uitgeven. De prijs speelt bij hen geen rol,’ zegt Christa Kroon. Vorig jaar opende ze Ribbels, een moderne breiwinkel in het oude centrum van Leiden. Soms komen er oudere mensen bij haar langs omdat ze bij C & A iets hebben gezien en denken dat het goedkoper moet kunnen. ‘Maar dat kan niet. In de jaren zeventig was breien nog goedkoop. Het omslagpunt kwam in de jaren tachtig, toen vrouwen minder tijd kregen en de confectieprijzen daalden. Voor die oudere generatie is tijd nooit zo’n belangrijke factor geweest, geld wel. Nu is tijd een veel kostbaarder goed geworden. Misschien dat die jonge vrouwen daarom ook met grote pennen en dikke wol breien. Zo’n das kun je in twee avonden af hebben.’ En dan heb je iets exclusiefs. Nergens te koop – en dat is de belangrijkste reden waarom er weer gebreid wordt: mensen hebben genoeg van massaproductie en willen iets maken dat uniek is en persoonlijk.

Kunsthistorica Renny Ramakers is medeoprichter van Droog Design, platform voor vernieuwende vormgeving. Onlangs publiceerde ze haar boek Less + More. Droog Design in Context. Daarin levert ze kritiek op onze overgestileerde omgeving. ‘Mensen zijn uitgekeken op het perfecte design,’ zegt ze. ‘De terugkeer naar ambachtelijk werken is daar een reactie op.’ Steeds meer ontwerpers zijn de laatste jaren dan ook gaan breien, haken en borduren. De Knotted Chair van Marcel Wanders (1996), de Knitted Lamp van Hella Jongerius (1996) en de gebreide koffiepot van Gijs Bakker (1997), om maar een paar voorbeelden te noemen.

‘New Crafts’ noemt Ramakers het. ‘Twee maanden geleden was ik in Singapore,’ vertelt ze. ‘Als ik rondkeek, zag ik Benetton, Donna Karan, Alessi, de hele handel kwam ik daar tegen. Bijna alles wat we gebruiken, wordt in grote oplagen door grote bedrijven gemaakt. Wat ik miste, is wat die mensen daar zelf maken, bedrijfjes die iets unieks produceren.’

Ambachtelijkheid als nieuwe trend, huisvlijt revisited. Een verhaal in De Telegraaf over Frau Wilhelm, een tentoonstelling met gebreide, geborduurde en gehaakte kunst, leverde de krant een record aantal reacties op, vooral van ouderen. Ook op de tentoonstelling zelf kwamen veel gepensioneerde handwerkjuffen en oma’s met breinaalden in hun tas. Organisator van de expositie is Stef Bakker, docent aan de Design Academy in Eindhoven en concept & image maker bij House of Orange.

Frau Wilhelm was een ode aan de huisvlijt, vernoemd naar de handwerkende moeder van de jonge modeontwerper Bernhard Wilhelm. Kunstig gehaakte pannenlappen met piketrand lagen er naast porseleinen vogels met gebreide staarten. Er waren minimalistische wolschilderijen van Roel Endendijk en de gebreide installaties van Iris Eichenberg.

Stef Bakker ziet een enorme herwaardering van huisvlijt in kunst en vormgeving. De traditionele kunst kan egocentrisch en geïsoleerd zijn, de huisvlijt daarentegen is sociaal en persoonlijk. ‘Zodra iets met naald en draad is gemaakt, beginnen mensen te lachen. Maar er is niks oubolligs aan.’

Zelf dingen maken is lang taboe geweest – alsof je geen geld had om naar een winkel te gaan en iets te kopen. Maar dat is veranderd.

Alexandra Shtekelman studeerde kunstgeschiedenis in Jeruzalem en kwam twee jaar geleden naar Nederland. Vijftien was ze toen ze leerde breien. ‘Ik begon daarmee voor fun, omdat niet veel mensen iets zelf kunnen maken en ik vond het leuk om iets aparts te doen. Eerst maakte ik truien zoals ik die in de winkels zag. Maar dat vond ik te saai en ik begon met het materiaal te experimenteren en zelf modellen te bedenken. Een trui maken is een beetje als een huis inrichten. Ik moet goed begrijpen wat voor soort persoon het is, welke kleur bij hem of haar het beste past. En dan kan ik echt iets moois maken. ‘ Edwin Zwakman is fotograaf en vindt haar truien (tussen de honderdvijftig en driehonderd euro) fantastisch. Hij wil een coltrui met daarop het UN-logo. ‘Dat logo van de Verenigde Naties is een mooi beeld uit de media. En ik ken geen winkel waar ze wollen truien met dat logo verkopen.’ Bij de Afstap kopen hij en Alexandra twintig strengen wol van het juiste blauw en wit.

Een hele generatie is weer in de ban geraakt van de mantra ‘insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden’. Een generatie die is opgegroeid in luxe en welvaart en die geen idee heeft van waar de kleren van H&M en Benetton vandaan komen. Een wollen vest koop je zonder er bij na te denken wie het heeft gemaakt: kinderen in India, bejaarde handwerksters op het platteland of een reusachtige breimachine die vijf vesten per uur fabriceert.

Zelf maken betekent: meer contact met de materie. Je kiest de wol, zet de steken op en ploetert op pennen, één recht, twee averecht.

Volgens Renny Ramakers van Droog Design heeft die behoefte aan contact met de materie te maken met de huidige technologie. ‘We weten niet hoe de dingen werken. Als mijn computer stuk is, heb ik geen idee hoe ik die moet maken. Die technologische ontwikkeling wordt steeds abstracter. En bovendien: mensen zijn zo snel op spullen uitgekeken. Er wordt steeds maar iets nieuws aangeboden. Zo kan er geen band met producten ontstaan.’

Op de vorig jaar in Londen gehouden expositie Home Made Holland was werk van vormgevers en kunstenaars te zien die internationaal naam hebben gemaakt met hun ‘New Crafts’. Vormgeefster Ineke Hans is al een tijd bezig met folklore en maakte een paar klompen met kostschoolachtige kousjes eraan. ‘Dat is de anti-klomp. Dat zijn keurige meisjes die niet op klompen lopen. Er is ook een heel grof gebreide kous die aan de klomp genageld is en enigszins herinnert aan een oude veenklomp.’ Voor haar Knitted Lamp gebruikte Hella Jongerius glasvezel, een materiaal dat meestal geweven wordt, maar dat door breien flexibel wordt. ‘Glasvezel kan tegen heel hoge hitte en zo kwam ik op het idee voor een gebreide lamp. Als er geen peertjes in zitten, is hij plat. Door er vier of zes gloeilampen in te doen, krijgt hij vorm. Zoiets als borsten in een truitje.’ Bernardine Walrecht was conservator van Home Made Holland. Zittend aan haar eettafel van Piet Hein Eek vertelt ze: ‘We willen niet meer dat dingen maar doorgaan, steeds worden vervangen, altijd maar nieuw moeten zijn. We willen terug naar het kleine, diep in plaats van breed. Een massaproduct draagt veel minder verhaal met zich mee of in ieder geval een minder mooi, minder uniek verhaal. Een schaal die van moeder op dochter wordt doorgegeven, draagt een soort familiehistorie, een Tupperware-bakje niet. Niet voor niets bestaan er verhalen van beeldhouwers die zoveel ziel in hun beeld leggen dat het letterlijk tot leven komt.’

Door: Manon Sikkel

Image: Nick Casale

Ook gepubliceerd in: Vrij Nederland 2004

Advertenties

2 Comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s