I love you and I always will

Scott Webb wedding walkers liefde suzanne en bobHet was liefde op het eerste gezicht tussen Suzanne en Bob. Alleen had Bob nog een vrouw en kinderen in Engeland. Na een relatie van anderhalf jaar laat Suzanne hem gaan. Hij belooft terug te komen op de dag dat zijn jongste dochter achttien is. Tien jaar lang zien ze elkaar niet. Dan belt hij op een avond op met de woorden: ik ben terug. 

‘Ik zag Bob voor hij mij zag. Hij zat aan de bar in een kroeg in Rotterdam. Ik zag hem aan de bar zitten en zei tegen mijn vriendin: dat is ’m. Hij had dat typisch Engelse, zo’n uitstraling dat je de boel niet serieus neemt. Hij was bloedmooi. Veel te mooi voor mij, dacht ik. Maar natuurlijk raakten we aan de praat, daar zorgde mijn vriendin voor. Het was liefde op het eerste gezicht, ook toen ik hem van dichtbij zag. Later zou hij mij vertellen dat hij wist dat ik de ware was vanaf het eerste moment dat hij me zag.

De volgende dag spraken we weer af. “I love you and I always will”, zei hij die avond. Ook voorspelde hij dat hij op een dag met me zou trouwen. Dat vond ik belachelijk. Welke vrouw zegt dan: “o, wat leuk”? Nee, je denkt: die is niet goed snik.

Al snel kwam ik er achter dat hij al getrouwd was, en twee kinderen had in Engeland. Hij beweerde dat hij gescheiden was van tafel en bed. Na een tijdje vertelde hij dat hij nog bij zijn gezin woonde, al was hij vaak van huis omdat hij op een booreiland werkte. Als ik eerder had geweten dat hij nog getrouwd was, had ik hem eruit gegooid, maar toen was het al te laat. Ik was smoorverliefd.

Die eerste anderhalf jaar was er zo veel liefde. Hij was zo grappig en opwindend. Sex on legs noemde ik hem. Ik was nooit zo van mannen onder de indruk, maar hij was zo’n overweldigende persoonlijkheid en ik kon zo verschrikkelijk met hem lachen.

We zagen elkaar een paar dagen per maand. Dat was fantastisch, maar uiteindelijk kregen we altijd ruzie. Dat kan ook niet anders als je met een getrouwde man bent. Hij miste zijn kinderen en ging dan terug naar Engeland. Daar kregen we ruzie over. Anderhalf jaar hebben we door geknoeid. En op een dag was het genoeg. We hadden onze zoveelste ruzie. Toen heb ik het uitgemaakt. Hij belde me nog op vanaf Schiphol en zei dat hij bij me terug zou komen, wat er ook zou gebeuren. Over tien jaar, zei hij, dan is mijn jongste kind achttien en dan kom ik terug. I’ll be back waren zijn laatste woorden. Ik geloofde er niks van.

Het uitmaken was mijn eigen beslissing, toch was ik er kapot van. Overal waar ik ging sleepte ik zijn brieven en foto’s mee. Mijn tweelingzus heeft die op een dag allemaal verbrand. Ze vond dat ik moest doorgaan met leven.

O, wat was ik gek op hem. Weken lang zat ik bij de telefoon hopend dat hij zou bellen. Pas na twee jaar belde hij. Zomaar op een avond vanuit een ver land. “Onthoud het, honey, ’ll be back.”

Ik was ontdaan. Deze man, die ik al bijna vergeten was en toch ook niet. Want hij was de enige man van wie ik ooit echt onder de indruk was geweest. Ik was wel eens verliefd, maar nooit langer dan een maand of drie. Geen andere man haalde het bij hem, de man met wie ik niet kon zijn omdat hij bij zijn gezin was.

Nooit ging ik ervan uit dat hij terug zou komen, ook al belde hij om de twee jaar en zei hij elke keer: “I’ll be back.”

Ik vroeg altijd waar hij was. Brazilië, Malta, zijn werk bracht hem altijd op allerlei exotische locaties. Als hij thuis was, ging hij zo vaak als het kon naar het strand en kon eindeloos naar de zee staren. Hij telde de jaren tot hij bij mij kon zijn.

En terwijl hij daar aan zee zat te wachten tot die tien jaar voorbij waren, ging voor mij het leven door. Ik was nog hartstikke mooi ook. Ik had slierten vrienden en vriendinnen. Ik heb echt niet op hem zitten wachten.

Na tien jaar belde hij en zoals altijd vroeg ik waar ben je? “In Schiedam”, zei hij. Op dat moment viel alles op zijn plaats. Zelfs nu krijg ik het er nog koud van als ik er aan denk. Ja, dacht ik, nu blijft hij. Het was net alsof ik op dat moment de rest van mijn leven voor me zag. Het voelde alsof ik thuis kwam. Terwijl ik hem tien jaar niet gezien had en hem misschien vijf keer gesproken had in al die jaren.

Het was half elf ’s avonds toen hij belde. Ik was een boekenkast in elkaar aan het zetten met de man met wie ik toen vijf jaar samenwoonde. Ik vertelde mijn vriend wie er had gebeld en dat ik Bob zou zien de volgende dag. Op dat moment wisten we allebei dat het afgelopen was tussen ons. Die relatie liep al op z’n eind. Als ik eerlijk ben heb ik eigenlijk nooit iemand echt leuk gevonden, behalve Bob.

Het klinkt nu hard, maar zo was het niet. Die relatie was echt over. We hadden geen kinderen, geen koophuis, niets wat ons aan elkaar bond.

Op donderdag belde Bob, op vrijdag ging ik met hem uit. Mijn vriend wist dat hij me niet kon tegenhouden. Hij had me kunnen vragen te blijven, maar dat deed hij niet.

Ik ben Bob gaan ophalen in Schiedam. Ik stond in de haven te wachten. Hij kwam aanlopen. Tien jaar hadden we elkaar niet gezien gezien. Hij stapte de auto in en zei: “Honey, you haven’t changed a bit”.

We zijn Rotterdam in gegaan. Ik was zenuwachtig, maar ik herinner me vooral dat we vreselijk gelachen hebben die avond. En zonder dat we het uitspraken, wisten we dat we vanaf dat moment voor altijd samen zouden zijn. We hebben die avond nog staan zoenen in een nisje bij het Ahoy Stadion, als een stel pubers.

De volgende dag, zaterdag, trok mijn vriend bij zijn zus in. Op zondag kwam Bob bij me wonen. Over zijn ex-vrouw spraken we niet. Hij had nooit van haar gehouden. Ze waren jong getrouwd. Zo ging dat in het noorden van Engeland. Ze wist van mijn bestaan en ze wist dat hij naar mij zou gaan op de dag dat hun jongste kind achttien was. Als ik haar was had ik gezegd ga dan nu maar, maar ik was haar niet.

Now I’m gonna live my life. Met die woorden begon hij aan ons leven samen. Dat eerste jaar samen hebben we gefeest, het was geweldig. Ik was de vrouw van zijn dromen. Dat hoefde hij niet te zeggen. Dat wist ik. Ik kon niet eten van verliefdheid en ik had steeds diezelfde droom, dat ik wakker werd en hij weg was. Maar als ik dan mijn ogen open deed, dan lag hij gewoon naast me.

Hij maakte altijd alles beter. Misschien niet in de praktijk, maar wel in mijn hoofd. “It’ll be allright”, zei hij altijd. En dat geloofde ik meteen.

In mijn trouwring staat 23 juli 1987, de dag dat hij belde.

Zijn ex-vrouw heb ik een keer ontmoet, op een begrafenis. Iemand wees me erop dat zij het was, maar ik weet zelfs nu niet hoe ze heet. Ik voel me ook niet schuldig naar haar. Ik heb hem laten gaan. Ik heb niet dat huwelijk kapot gemaakt.

We hebben twee kinderen gekregen, Robert en Emma. De tijd dat zij klein waren is de mooiste tijd van mijn leven geweest. Als vader was hij geweldig. Ik voelde me zo groots met mijn zoon, mijn dochter en die geweldige man die de mijne was.

In 2004 kreeg hij last van zijn maag. Hij kwam terug uit Nigeria en dacht dat het een tropisch virus was. We gingen naar het havenziekenhuis. Er waren kankercellen gevonden. Er was geen genezing mogelijk. Bob vroeg hoe lang hij nog had. Nog drie tot zes maanden was het antwoord. Het werd een klein jaar.

De kinderen vertellen dat hun vader nooit meer beter zou worden is het zwaarste dat ik ooit in mijn leven heb moeten doen. Twee van die kleintjes en ik die tekeningen maakte van Bob en zijn darmen en hoe daar stukjes uit zouden worden gehaald.

Dat laatste jaar spraken we niet over onze liefde. Die liefde was gewoon overal. Soms zat ik verdrietig voor me uit te kijken en vroeg hij: “what’s wrong, honey”? Dan antwoordde ik: “You know”. Dan knikte hij en zei: “Yes, I know”.

Een tijdje na zijn dood zat ik in de auto. Ik reed over een landweggetje, met zo’n waterig zonnetje. Ik vroeg me af of ik het weer zo zou doen. Ja, ondanks al het verdriet dat ik nu heb, zou ik alles weer precies zo doen. Het verdriet is peilloos, dat laat zich niet uitleggen. Maar we zijn wel bijna twintig jaar samen geweest.

Hij is nu acht jaar dood en ik vind er niks aan zonder hem. Ik ga nooit naar het graf. Hij zou zeggen: wat doe je hier, Haaksman? Ga naar huis, naar je kinderen. Hij zou het er niet mee eens zijn dat ik nu nog zo veel verdriet heb. Ik weet het, het is niet het eind van de wereld. Maar het is het eind van mijn wereld.’

Door: Manon Sikkel

Image:

Ook gepubliceerd in: De Liefde, zomer 2012

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s