De huisarts die liever stukadoor was

huisarts hoshino ai‘Ik denk dat ik me veel te lang heb vastgehouden aan allerlei zaken buiten mij, hoe anderen vonden dat ik moest zijn. Ik was per slot van rekening de zoon van de huisarts. De jongen die goed kon leren en ook huisarts zou worden.’  (Ernst Lugten, Amsterdam)

Het beroep van huisarts wordt Ernst met de paplepel ingegoten. Zijn vader is huisarts in Bergen. Ook Ernst en zijn tweelingbroer gaan geneeskunde studeren. Maar al snel komt Ernst erachter dat zijn passie ergens anders ligt. Hij wordt stukadoor, met hart en ziel.

‘In Bergen was ik de zoon van de dokter. Ook thuis bepaalde het beroep van mijn vader de sfeer. Er waren patiënten die langskwamen en er werd vaak gebeld, ook midden in de nacht. Mijn vader was altijd aan het werk. Ik herinner me dat er wel eens timmerlui bij ons aan het werk waren. De sfeer die zij meenamen, dat vond ik geweldig. In de dokterswoning hangt toch altijd de zwaarte van het leven. Maar dan kwamen die jongens en die gingen tijdens het werk plezier maken en lachen. Lachen, dat zie je niet zo veel bij huisartsen.

Wat ik mooi vond bij die timmerlui was het ambacht. Ik had enorme bewondering voor dat handwerk. Als kind kon ik ook gefascineerd naar een poffertjesbakker kijken. Bergen was als kunstenaarsdorp natuurlijk bij uitstek de plek van het handwerk. Mijn vader kreeg van kunstenaars uit het dorp soms betaald in schilderijen. Ik had een vriendje waar schilderijen van Filarski aan de muur hingen, dat was zijn grootvader. Er liep ook een huishoudster rond, de dichteres Neeltje Maria Min. In dat kunstenaarsdorp waren wij de doktersfamilie.

Dat mijn vader huisarts was zal zeker hebben meegespeeld in mijn keuze om ook huisarts te worden. Ik schijn dat al vroeg gewild te hebben, al herinner ik me daar weinig van. Als tiener wilde ik juist ruimtevaarder worden of bij de marine, maar het artsenwerk is weer teruggekomen en ik ben met hartstocht gaan studeren. Niet om geld te verdienen, maar uit idealisme. Mensen beter maken, dat wilde ik.

Mijn tweelingbroer had nog geen idee wat hij wilde doen en is toen ook maar geneeskunde gaan studeren. Hij is nog steeds huisarts.

Ik was vijfentwintig toen mijn vader dood ging. Ik was net bezig met mijn co-schappen. Mijn vader zou vijfenzestig worden en ik bedacht dat ik hem eigenlijk nooit in zijn werk had meegemaakt. Ik wist dat hij wilde stoppen met werken en ik stelde voor om een keer met hem mee te lopen, patiënten zien, huisbezoeken doen. Ik ben een week met hem meegegaan en opeens zag ik een totaal andere vader. Iemand die plezier had in zijn werk, die betrokken was en daadkrachtig. Een arts die hart had voor zijn patiënten. Wat een andere man, dacht ik. Wat een prachtige kerel. Ik kende alleen een oude, vermoeide man die geen antwoord gaf als je hem iets vroeg omdat hij altijd met zijn gedachten ergens anders was, die zich terugtrok in zijn werkkamer en eigenlijk onbereikbaar was. Maar opeens zag ik het: dit werk was zijn leven. Dat was mooi om te zien. Ik vroeg me af of ik dat ook zou kunnen.

En goddomme, drie dagen later werd ik ’s nachts uit bed gebeld. Mijn vader had in zijn slaap een herseninfarct gehad en lag in coma. Een paar dagen later is hij gestorven.

Hoe pijnlijk zijn plotselinge dood ook was, in zo’n periode beleef je de essentie van het leven. En ondanks het verdriet vond ik het wel een geschenk dat ik hem, als enige van de kinderen nog als mens in zijn werk had meegemaakt en zo, op de valreep, nog een hele andere kant van zijn persoonlijkheid had leren kennen.

Door zo jong en zo plotseling je vader te verliezen kom je wat losser in het leven te staan. Je leert dat je de essentie van de dingen moet pakken en niet allemaal flauwekul moet nastreven. Dat merkte ik ook in mijn studie geneeskunde. Met heel veel hartstocht was ik in die studie gedoken, maar toen ik het vak eenmaal ging uitoefenen, kreeg ik een terugslag. Ik werd antroposofisch arts en ik denk dat juist dat een extra handicap was.

Ik ben opgegroeid in een antroposofisch gezin en heb me ook daar vol overgave aan gewijd. Ik was zoals veel antroposofen gefascineerd door de zingeving van het leven, de diepere gronden en wat er na de dood zou gebeuren. Toen ik bezig was met de huisartsenopleiding, merkte ik dat ik juist daar tegen in protest kwam. Ik voelde zo’n weerstand tegen de antroposofische geneeskunde. Dan moest ik euritmie adviseren, een kunstzinnige therapie of een homeopatisch geneesmiddel voorschrijven. Dat wilde ik helemaal niet. Die weerzin werd zo groot, dat ik tijdelijk met de opleiding ben gestopt. Ik kwam in een ongelooflijke identiteitscrisis. Mijn hele bestaansgrond viel weg.

Omdat ik vond dat ik even iets totaal anders moest doen, ben ik na een periode van dolen bij een aannemer gaan werken. Ik moest structuur hebben. Alleen een beetje rondlopen en over mezelf nadenken dat werkte niet. Gek genoeg vond ik mezelf terug bij die aannemer. Dat was een totaal andere wereld. In de wereld van de geneeskunde en de antroposofie speelden alleen maar grote vragen en wat je ook deed, je deed het nooit goed genoeg. Bij de aannemerij was het precies het omgekeerde. En er werd nog gelachen ook.

Natuurlijk had ik ook de antroposofie kunnen verlaten en gewoon huisarts worden, maar dat kon ik op dat moment nog niet. Het zat voor mij zo aan elkaar vast. Ik was zo bezig om te zien wie ik nou was, dat ik even niet dat vak kon uitoefenen.

Ik kan me nog precies het moment herinneren dat ik mijn moeder belde om te vertellen dat ik bij een aannemer ging werken. Ze viel compleet stil.

Achteraf had ik het gevoel dat ik daar en op dat moment de navelstreng met mijn moeder doorsneed. Nu kom ik op een terrein terecht waar jij niet bent, dacht ik, waar jij niets over te zeggen hebt, waar jouw wereldbeeld niet geldt en wat helemaal buiten jouw leven staat. Het was niet mijn bedoeling geweest, maar opeens merkte ik dat ik vrij was, dat ik op een gebied was waar ik rust had van haar. En gek genoeg vond ik dat heerlijk.

Ik was wel blij dat ik mijn vader niet meer hoefde te vertellen dat ik het medische pad verliet. Nu kijk ik daar anders tegenaan. Misschien had hij het wel begrepen. Misschien was ik ook wel doorgegaan met de opleiding als ik meer support van hem had gekregen.

Mijn moeder vroeg daarna wel steeds belangstellend hoe het met me ging, maar verder heeft ze me helemaal vrij gelaten. Ik was onzichtbaar voor haar geworden. Ik paste niet meer in het beeld dat ze van mij gemaakt hadden voor zichzelf. Daarmee viel ik buiten het plaatje, maar ze ging niet trekken om mij weer in haar plaatje te krijgen, gelukkig niet.

Het stoppen met de huisartsenopleiding was één ding, minstens zo ingrijpend was het verlaten van de antroposofie. Daarmee stortte mijn hele wereldbeeld in elkaar. Maar voor mijn gevoel had ik me bevrijd van allerlei normen die ik had ingezogen maar die niet echt van mij waren.

Zo’n beslissing nemen betekent dat je niet meer voldoet aan de verwachtingen die mensen van je hebben. Verwachtingen van vrienden, familie, tot de schooljuffrouw aan toe. Mijn tweelingbroer zei iets dat me heel erg trof: “het enige wat je hebt ben je zelf.” Die opmerking raakte me diep. Zo voelde het echt. Ik denk dat ik me veel te lang heb vastgehouden aan allerlei zaken buiten mij, hoe anderen vonden dat ik moest zijn en hoe ik vond dat ik moest zijn. Ik was per slot van rekening de zoon van de huisarts. De jongen die goed kon leren en ook huisarts zou worden. Toen dat allemaal wegviel, had ik geen enkele zekerheid meer. Dat is wel een hele belangrijke ervaring geweest. Je huis kan afbranden, je kunt al je geld verliezen, maar je merkt dat er dan iets heel wezenlijks overblijft. Door een groot verlies te leiden merk je wat echt van waarde is. Dat ben je zelf, met je eigen wensen en de kleine voorvallen die je beleeft.

Het eerste jaar nadat ik gestopt was, zat ik echt in een diepe crisis. Ik heb aan het randje van de dood gestaan, zo groot was de wanhoop. Maar langzaam aan leerde ik dat ik ook kon bestaan zonder die verwachtingspatronen van mijzelf en mijn omgeving waar te maken. Dat ik gewaardeerd werd als mens, om wie ik was. En daarvoor hoefde ik niet te zeggen dat ik zo hard aan het werk was, hoefde ik geen grote taken uit te voeren en hoefde ik ook geen gewichtig beroep te hebben. Terwijl ik de hele dag stond te timmeren en te metselen viel dat allemaal van me af. Ik ging weer leven.

Toch was het moeilijk om alles definitief op te geven. Dus na een jaar bij die aannemer besloot ik mijn oude vak nog een kans te geven. Misschien ligt dat huisartsenvak mij niet, dacht ik toen. Ik ben als arts-assistent gaan werken in een psychiatrisch instituut, maar ook dat voelde alsof ik in een keurslijf zat. Na een half jaar heb ik de geneeskunde opnieuw verlaten.

Dat was niet makkelijk. Het voelde als scheiden van een geliefde: je geeft om elkaar, maar het gaat niet meer. Ik had al afscheid genomen van de antroposofie, en nu verliet ik ook nog de medische wereld. Ik was eenendertig en sloeg definitief een andere weg in. Althans, dat dacht ik toen.

Toen ik eenmaal gekozen had voor de aannemerij, ben ik een heel ander leven gaan leiden. Er kwam een andere kant van mezelf naar voren. Ik maakte van alles mee in de liefde, ik ben met muziek aan de gang gegaan en ik ben gaan zingen.

Wat me aantrok in de aannemerij is de eenvoud van het leven. Ik ben niet alleen stukadoor, ik doe allerlei timmer- en onderhoudswerken, dus ik beschouw mezelf meer als kleine zelfstandige in de bouw met als grote liefde stuken. Het mooiste van dit werk is dat je alles heel eenvoudig houdt. Ik word er niet echt rijk van, maar dat heb ik ook nooit gewild. Ik heb mijn eigen vrijheid gekocht.

Van alles wat ik nu doe staat het stukadoren mij het meest nabij. Stukadoren is een heel bijzonder ambacht. Daar zit voor mij het hele leven in. Omdat ik het zo mooi vind. Het is echt een scheppingsproces. Het is geen kunst, maar het is wel scheppen, net als brood maken of de liefde. Het is als het leven zelf. Je pakt een kuip, je neemt een grote zak met gips, gooit water in die kuip en je gaat roeren. Dan haal je die deegmassa uit die grote kuip, op dat bord en doet dat op die muur. Dat is hele zware arbeid, maar ook een mooie beweging. Het is een soort dans. Je zet het met ronde bewegingen op, dat blad met stuc. Het is een wisselwerking van jou met het materiaal, met de muur. Je bent geweldig fysiek bezig want je moet het snel opzetten, maar als je dan zo’n hele wand hebt opgezet, ga je daarna heel zacht met je spaan eroverheen, over een nog half vloeibare massa. Je moet heel sensitief zijn, voelen of het nog uithardt. Daarna komt het schuurwerk. Dan moet je er met een spons doorheen en het stucwerk eerst stevig en daarna zacht strelen, heel gelijkmatig. Je moet voelen wat die muur kan hebben. Ondertussen is de kamer een dampende warme massa van transpiratie en stucwater alsof je net de liefde bedreven hebt. Het is een magische handeling. In een ochtend heb je iets totaal wit gemaakt wat daarvoor een oude, rommelige zooi was. Je hebt de muur een huid gegeven. Dat is magie, witte magie.

Het is een wonderbaarlijke verandering van witsel en wat water en uiteindelijk zo’n prachtig sneeuwlandschap, een ijslandschap dat daar ongenaakbaar ligt.

Antroposofen hebben het ook over mysteries. Ze vinden dat er echte wonderen zijn in het leven en geheimen. Ze willen die raadselachtigheid van het leven wel ontrafelen, maar ze maken het daardoor nog raadselachtiger. Wat ik gezocht heb in de antroposofie heb ik gevonden als stukadoor. Je kunt de bezieling voelen in alles om je heen. Het mooie van het leven zit in kleine dingen. Het leven op zich heeft geen zin, zoals elke religie en ook de antropologie beweert, maar je kan er wel zin aan geven, je eigen zin.

Voor mij is stucen als het leven zelf. In het leven zet je ook steeds weer iets neer. Je leeft van binnen uit en dan is het buiten je en sta je weer alleen, dan is het klaar. Het kan ook mislukken, maar ook dat is het leven. Je gaat er helemaal in en weet niet zeker hoe je eruit komt, maar je moet wel alles geven. Dat je steeds het risico hebt dat het kan mislukken maakt het ook spannend, steeds weer. Zo is het in het leven ook. Je weet nooit wat het eindresultaat is, maar je moet wel durven. Als je aan zekerheden wilt vasthouden, dan leef je niet echt. Dan blijf je aan de kant staan.

Zoals ik over mijn werk praat, zo kunnen kunstenaars ook over hun werk praten. Die zijn ook met scheppen bezig. Voor mij is dat scheppen bijna iets goddelijks. In de kunst beleef ik wat een ander misschien in de kerk beleeft. In het stukadoren en het zingen van een lied, daarin beleef ik het leven.

Vijf jaar geleden heb ik weer een uitstapje gemaakt naar de medische wereld. Ik was inmiddels vader geworden van een dochter. Toen ik half veertig was wilde ik heel graag een kind. Mijn toenmalige vriendin had al kinderen, maar ik wilde een kind van mezelf en dat ging niet met haar. Ik heb haar toen om die reden verlaten. Dat klinkt hard, dat was het ook.

Niet lang daarna ontmoette ik Greetje, mijn geliefde, en samen kregen we een dochter. Daar waar anderen op hun vijfentwintigste zijn, daar was ik op mijn zesenveertigste. Ik was nu een degelijk huisvader met vrouw en kind. Langzaam aan rijpte het idee om te kijken of ik ook degelijk werk kon vinden, een goede baan.  Dat oude gevoel van verantwoordelijkheid nemen kwam weer boven, maar dat is ook niet gelukt natuurlijk, haha.

Hoe ik dat wilde aanpakken? Ik ben eerst gaan zoeken welke richting ik op wilde en kwam bij een verpleeghuis uit. Oude mensen die aan het eind van hun leven staan, dat vond ik mooi. Ik ben stage gaan lopen in een verpleeghuis. Mijn diploma basisarts was nog steeds geldig en ik voelde nog steeds affiniteit met het vak. Daarna ben ik gaan solliciteren en ik werd nog aangenomen ook. Ik werd aangenomen als arts-assistent en het werk beviel me. Geen antroposofische hokuspokus dit keer, maar werken met oude mensen, dat vond ik geweldig. Ik was flink in de boeken bezig geweest om kennis op te halen en ik genoot. Wat leuk, dacht ik, het zit er nog, die liefde voor het vak. Het was niet dat ik stucen niet leuk vond, maar dit was blijkbaar nog niet klaar.

In die tussenliggende jaren had ik daar nooit aan gedacht, maar met het vaderschap kwam dat terug. Werken met mensen, mensen begeleiden, die priesterlijke kant zit er toch een beetje in bij mij, vrees ik. Om het helemaal goed te doen, ben ik toen de opleiding tot verpleeghuisarts gaan volgen. In die opleiding kwam ik mezelf toch weer tegen. Ik merkte dat ik overbelast raakte. Ik dacht: waar ben ik mee bezig? Overdag werken vond ik leuk, maar ’s avonds studeren was zwaar. Werken in loondienst ging me opbreken. Ik zag mijn kind verdomme nauwelijks. Ik wilde dit doen om een goed huisvader te zijn en vervolgens ging al mijn energie in iets zitten waar ik me niet gelukkig bij voelde. Al mijn aandacht voor het gezin viel weg. Ik was een man met een warm hart, maar met een houten kop.

Ik miste het fysieke werk. Ik moest alles met mijn hoofd doen. Ik ben gaan hardlopen en tennissen, maar dat was niet genoeg. Ik ben met de opleiding gestopt. Een paar jaar heb ik nog op oproepbasis als arts in een hospice kunnen werken, een tehuis voor stervenden en heel gelijdelijk heb ik toen het stukadoren weer opgepakt.

Mijn maat, met wie ik twintig jaar had samengewerkt, was alleen maar blij dat ik weer terugkwam, en ik dat ik weer welkom was. We zijn een goed team. Hij doet de dingen die ik vreselijk vind, zoals elektra. Hij vindt stukadoren weer een vieze troep, maar timmeren vinden we allebei leuk, net als schilderen. We hebben plezier samen. Soms, als we klaar zijn met een grote klus, dan maken we muziek. Dan zingen we samen of hij begeleidt me op de gitaar. Het gevoel dat ik arts had moeten zijn ben ik nu wel kwijt. Drie maal is scheepsrecht. Het is jammer dat ik daar zo lang over heb moeten doen maar dat is nu eenmaal zo.

Ik zie nu weer heel sterk de voordelen van zelfstandig zijn. Dat het zo belangrijk voor mij is, dat was ik blijkbaar een beetje kwijt. Ik moet mijn eigen toon kunnen zetten, mijn eigen melodietje zingen. Het artsenvak heb ik nu definitief afgesloten. Daar hoef ik niet meer treurig over te worden. Ik ben blij dat ik weer zingend aan het werk kan en ik hou ook nog tijd over voor mijn gezin en mijn vrienden. De vrijheid en de eenvoud van dit leven vind ik heel mooi, en een schitterende carrière, hou op. Ik leef.’

Lees ook: Doen wat je echt wil: Petra gaf haar baan op en begon een hondenschool

Door: Manon Sikkel

Uit: De huisarts die liever stukadoor was, Manon Sikkel en Marion Witter, Uitgeverij Bert Bakker, 2008

Image: Hoshino Ai

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s